Alle soorten › Zangvogels › Tsjagra's en bosklauwieren › Angolafiskaal
Angolafiskaal | Laniarius brauni
Braun's Bushshrike | Bubú de Braun
De Angolafiskaal is een van de minst bekende vogels van het gebied: een donkere fiskaal met een kastanjebruine kruin en een felle oranje keel en borst, beperkt tot een smalle strook bos in het noorden van Angola. Na de beschrijving in 1939 werd hij decennialang niet teruggevonden; pas in deze eeuw is duidelijk geworden waar en hoe hij leeft.
Geluid
De roep die het meest te horen is, is een lage, grommende krrroh, die met regelmatige tussenpozen van een paar seconden wordt herhaald en bij opwinding sneller komt. Verder harde klikken als alarm en, in de baltsvlucht, een reeks droge klikken gevolgd door melodieuze fluittonen. Het repertoire lijkt sterk op dat van verwante fiskalen en is op zichzelf geen betrouwbaar kenmerk.
Opname: Pritam Baruah — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
17–19 cm. Kruin en nek zijn kastanjebruin, de rest van de bovendelen, de vleugels en de staart zwartachtig, met een witte streep over de vleugel. Keel en borst zijn helder oranje en steken scherp af tegen de witte buik. De snavel is zwaar, zwart en gehaakt, het oog donker. De seksen zijn vrijwel gelijk. Jonge vogels zijn doffer en bruiner, met een fijn gebandeerde, vaalgele onderzijde. Hij houdt zich laag en verborgen op in dichte ondergroei.
Verwarringssoorten
De Gabelafiskaal Laniarius amboimensis van het escarpment in Cuanza Sul, verder naar het zuiden, heeft eveneens een kastanjebruine kruin, maar is van onderen geheel wit, zonder oranje. De tropische fiskaal Laniarius major heeft een zwarte kruin en is van onderen wit of zacht roze. De Gabonpoederdonsklauwier Dryoscopus angolensis is kleiner, grijs en wit van onderen, met roze poten.
Leefgebied
Secundair bos, bosranden en galerijbos op het noordelijke escarpment, grofweg tussen 600 en 900 m hoogte. De soort verdraagt enige verstoring en komt ook voor in bos dat voor koffie is uitgedund, zolang er een dichte ondergroei van struiken en lianen blijft. Foerageert op en vlak boven de grond, vooral op insecten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Endemisch voor het noorden van Angola: een strook bos van zo’n 150 km lengte in de provincies Cuanza Norte en Uíge, met waarnemingen onder meer rond Quiculungo, Roça Canzele, de rio Dange, Bolongongo en de omgeving van Uíge en Quitexe. Buiten Angola komt hij niet voor.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Jaarrond. Luister in de ochtend langs bospaden en koffieplantages met dichte ondergroei naar de regelmatig herhaalde grommende roep; wie geduldig blijft staan, ziet de vogel soms kort op een lage tak verschijnen. Het oranje van de borst licht in het halfdonker van de ondergroei goed op. Bezoek aan dit deel van Angola vraagt goede plaatselijke begeleiding.
Staat van instandhouding
Bedreigd. Het verspreidingsgebied is zeer klein en de soort is afhankelijk van de ondergroei van bos die op grote schaal wordt gekapt voor landbouw, houtskool en de uitbreiding van plantages. Waar de ondergroei volledig wordt verwijderd, verdwijnt de vogel. Beschermde gebieden ontbreken in zijn leefgebied.
Wetenschappelijke naam
Laniarius brauni | Bannerman, 1939
Bannerman beschreef de soort in 1939 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Laniarius werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Laniarius komt van het Latijnse lanius, 'slager', dezelfde stam als bij de klauwieren — naar de haakvormige snavel en de gewoonte om prooien op doorns te spietsen. brauni eert de Duitse verzamelaar R. H. Braun, die in Angola vogels verzamelde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Quicolungo, Angola.

