Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Angola-astrild
Angola-astrild | Coccopygia bocagei
Angola Waxbill | Estrilda de Bocage
De Angola-astrild is een piepklein, olijfgroen prachtvinkje met een grijze kop en een scharlakenrode stuit dat alleen in de hooglanden van West-Angola voorkomt. Hij wordt soms tot de groenrugastrild gerekend, maar is door zijn gelere onderzijde en beperkte areaal een van de Angolese endemen waar vogelaars gericht naar zoeken.
Geluid
Een zacht, hoog en fluitend swie-swie of tsiep, zoals bij de andere Coccopygia-soorten, vooral als contactroep in de vlucht. De zang is een hoog, dun reeksje fluittonen.
Opname: Raphaël Jordan — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
9–10 cm. Kruin en nek zijn grijs, rug en vleugels olijfgroen, stuit en bovenstaartdekveren helder rood en de staart zwart. De bovensnavel is zwart, de ondersnavel rood. De borst is bleekgrijs en gaat over in een gele buik en gele onderstaartdekveren. Het mannetje heeft een zwarte keel en kin, het vrouwtje een lichtgrijze keel. Jongen zijn doffer, met een donkere snavel.
Verwarringssoorten
In Angola kan vooral het Sint-Helenafazantje (Estrilda astrild) samen voorkomen; dat is bruin en fijn gebandeerd met een rood oogstreepje en een rode snavel, zonder rode stuit. De zwartstaartastrild (Glaucestrilda perreini) is blauwgrijs met een rode stuit en een zwart oogstreepje, maar mist groen en geel. De groene druppelastrild (Mandingoa nitidula) heeft een rode stuit maar zwarte, witgestippelde flanken. De verwante groenrugastrild (Coccopygia melanotis) komt in Angola niet voor.
Leefgebied
Randen van bergbos en struikgewas in de kloven van het westelijke escarpement, ruige grasranden, open plekken in vochtig bos, verwilderde koffieplantages en tuinen aan de bosrand in de hooglanden. Foerageert in paren of kleine groepjes op grasaren en op de grond.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Endemisch voor Angola: de centrale en westelijke hooglanden en het westelijke escarpement, onder meer in Cuanza Sul en Huambo. Buiten Angola niet bekend.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het best te vinden op de klassieke Angolese vogelplekken langs het westelijke escarpement en in de hooglanden rond Huambo, vaak aan de rand van bosrestanten en in ruige grasranden. Luister naar het zachte swie-swie en kijk laag bij de grond; het mannetje verraadt zich door de zwarte keel.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd volgens de IUCN; binnen het beperkte areaal plaatselijk vrij algemeen. Het verlies van bosranden en bergbos op het Angolese escarpement door kap en landbouw vormt wel een risico voor deze endemische soort.
Wetenschappelijke naam
Coccopygia bocagei | Shelley, 1903
Shelley beschreef de soort in 1903 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Coccopygia werd in 1862 ingevoerd door Reichenbach. Coccopygia komt van het Griekse kokkos, 'scharlaken', en -pugios, 'met een stuit' — naar de rode stuit van deze astrilden. bocagei eert de Portugese zoöloog José Vicente Barboza du Bocage (1823–1907), die veel over de vogels van Angola publiceerde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Huíla, Angola.

