Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Afrikaanse dwergooruil
Afrikaanse dwergooruil | Otus senegalensis
African Scops Owl | Autillo Africano
De Afrikaanse dwergooruil is de kleinste uil van het gebied: een slanke, grijze uil met korte oorpluimen en een kleed dat precies op boomschors lijkt. Overdag zit hij rechtop tegen een stam en is dan vrijwel onzichtbaar; 's nachts verraadt hij zich door zijn kikkerachtige roep.
Geluid
Een kort, rollend, kikkerachtig prrrp, elke vijf tot acht seconden herhaald, soms de hele nacht door. Paren roepen elkaar in een licht verschillende toonhoogte na. De richting van het geluid is slecht te bepalen en het wordt vaak voor een kikker of insect gehouden.
Opname: JJSUN — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
15–18 cm. Het kleed is grijs of grijsbruin, dicht gevlekt en fijn gestreept als boomschors, met een rij witte vlekken langs de schouder. De oorpluimen zijn kort en worden bij onraad rechtop gezet, waarna de vogel zich lang en smal maakt. De gezichtssluier is grijs met een donkere rand; de ogen zijn geel. Er komen grijze en bruinere vogels voor. De seksen zijn gelijk. De poten zijn bevederd tot aan de tenen.
Verwarringssoorten
De zuidelijke witwangdwergooruil Ptilopsis granti is veel groter, heeft een wit gezicht met een zwarte rand en oranje ogen. De geparelde dwerguil Glaucidium perlatum en de Kaapse dwerguil Glaucidium capense hebben ronde koppen zonder oorpluimen en zijn bruiner, met stippen of bandering in plaats van schorstekening.
Leefgebied
Droge en halfdroge savanne, doornveld, mopane en gemengd bosveld, ook oeverbos en grote tuinen met bomen; mijdt gesloten bos en boomloos terrein. Leeft vooral van grote insecten, spinnen en schorpioenen, die vanaf een lage zitplaats worden gevangen. Broedt in natuurlijke boomholten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Wijdverspreid door de savannes van het gebied: Angola, Zambia, Malawi, Mozambique, Zimbabwe, Botswana, noordelijk en midden-Namibië en het noorden en oosten van Zuid-Afrika tot in KwaZulu-Natal en Eswatini, met uitlopers langs de rivieren van de Noord-Kaap. Ontbreekt in de zuidwestelijke Kaap, de Karoo, het boomloze hoogveld en Lesotho. Buiten het gebied in vrijwel heel Afrika ten zuiden van de Sahara.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Luister na zonsondergang in savanne met grote bomen naar het regelmatige prrrp. Benader het geluid rustig en zoek dan met een lamp de stam en de dikkere takken af: de vogel zit vaak laag, dicht tegen de stam. Overdag is een roestplaats soms te vinden doordat zangvogels erop alarmeren.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en algemeen in geschikt bosveld. Gevoelig voor het kappen van grote bomen met holten en voor insecticiden, die de voedselbron aantasten. Veel vogels komen om in het verkeer wanneer ze langs wegen op insecten jagen.
Wetenschappelijke naam
Otus senegalensis | (Swainson, 1837)
Swainson beschreef de soort in 1837 als Scops Senegalensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Otus werd in 1769 ingevoerd door Pennant. Otus is Latijn voor 'ooruil', ontleend aan het Griekse ōtos, bij ous 'oor'. senegalensis betekent 'uit Senegal'; het typeexemplaar kwam uit het naburige Gambia. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal (type uit Gambia).


