Alle soorten › Ooievaarachtigen › Ooievaars › Afrikaanse bisschopsooievaar
Afrikaanse bisschopsooievaar | Ciconia microscelis
African Woolly-Necked Stork | Cigüeña Lanuda Africana
De Afrikaanse bisschopsooievaar is een middelgrote, donkere ooievaar met een opvallend witte, wollige hals, een zwart kapje en een donkere snavel met rode punt. Hij leeft meestal alleen, in paren of kleine groepjes langs rivieren, dammen en moerassen. In KwaZoeloe-Natal heeft hij zich de laatste decennia sterk uitgebreid in parken en tuinen van voorsteden.
Geluid
Grotendeels stil. Bij het nest snavelklapperen, en bij de begroeting een zacht, hees fluiten.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.
Herkenning
75–92 cm. Lichaam en vleugels glanzend zwart met een paarse, koperen en groene glans; de hals is bedekt met donzige, wollig witte veren, de kruin met een zwart kapje. De buik en de lange, witte onderstaartdekveren, die voorbij de staart uitsteken, zijn wit. De snavel is zwartachtig met een rode punt en rand; het naakte gezicht is grijs. De poten zijn donkerrood tot grijsrood. Jonge vogels zijn doffer bruinzwart, met een minder zuiver witte hals en een bevederde kruin. In de vlucht donker met een witte hals, witte buik en een witte, vorkachtig uitstekende onderstaart.
Verwarringssoorten
De zwarte ooievaar Ciconia nigra heeft een zwarte hals, een rode snavel en rode poten. Abdims ooievaar Ciconia abdimii heeft een donkere hals, een blauw gezicht en een witte rug. De Afrikaanse gaper Anastomus lamelligerus is geheel donker, zonder witte hals. De zwartkopreiger Ardea melanocephala heeft ook een zwart kapje en een witte keel, maar is grijs, slank en vliegt met ingetrokken hals.
Leefgebied
Oevers van rivieren, dammen, pannen, overstromingsvlakten en moerassen in savanne en bosveld, ook kustvlakten, mangrovegebieden en natte graslanden. Eet vis, kikkers, krabben, weekdieren, grote insecten en soms kleine reptielen; volgt ook bosbranden. In KwaZoeloe-Natal tegenwoordig ook in voorsteden, op gazons en sportvelden, en broedt daar in uitheemse bomen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Het oosten en noorden van het gebied: in Zuid-Afrika vooral KwaZoeloe-Natal (met de omgeving van Durban), het laagveld van Mpumalanga en Limpopo, met uitbreiding naar de Oost-Kaap en het hoogveld; verder Eswatini, Mozambique, Zimbabwe, Malawi, Zambia, het noorden van Botswana (de Okavango en de Chobe), de Caprivi en Angola. Buiten het gebied in Afrika ten zuiden van de Sahara, van Senegal tot Ethiopië; de verwante Aziatische bisschopsooievaar leeft in Zuid- en Zuidoost-Azië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De voorsteden en natuurgebieden rond Durban en in het binnenland van KwaZoeloe-Natal, waar de soort vertrouwd is geraakt, of de rivieren van het Krugerpark. Let op een donkere ooievaar met witte hals die langzaam langs een oever of over een gazon loopt.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd op de Rode Lijst. In Zuid-Afrika is de soort toegenomen en uitgebreid, vooral door het gebruik van uitheemse bomen om te nestelen in voorsteden, en geldt hij niet langer als bedreigd. Elders in het gebied wordt hij bedreigd door het verlies van moerassen en verstoring bij het nest.
Wetenschappelijke naam
Ciconia microscelis | Gray, 1848
Gray beschreef de soort in 1848 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Ciconia werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Ciconia is het Latijnse woord voor 'ooievaar'. microscelis komt van het Griekse mikros, 'klein', en skelos, 'poot' — naar de betrekkelijk korte poten. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Afrika (niet nader bepaald).


