Alle soorten › Koekoeksvogels › Koekoeken › Zwartsnavelkoekoek

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Duiven, toerako's en verwanten Columbaves › Trappen, toerako's en koekoeken Otidimorphae

Zwartsnavelkoekoek | Coccyzus erythropthalmus

Black-billed Cuckoo | Cuclillo pico negro

De zwartsnavelkoekoek broedt in het zuiden van Canada en het noorden en oosten van de Verenigde Staten en overwintert in het noordwesten van Zuid-Amerika. Op weg daarheen en terug trekt hij door het gidsgebied, in kleine aantallen en meestal onopvallend. Hij is veel schaarser dan de geelsnavelkoekoek, die dezelfde route volgt.

Zwartsnavelkoekoek (Coccyzus erythropthalmus)
Foto: Wolfgang Wander — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op doortrek meestal stil. De zang in het broedgebied is een ritmisch, hol koe-koe-koe in groepjes van twee tot vijf tonen, lang achter elkaar herhaald; daarnaast zachte, klokkende geluiden.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC1104478

Opname: Jeff Stewart — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

28–31 cm, slank en langgestaart. Van boven effen grijsbruin, van onderen wit tot vuilwit, zonder okertint. De snavel is geheel zwart en licht gebogen; om het oog ligt bij volwassen vogels een smalle ring van rode naakte huid. Van onderen is de staart grijs met smalle witte topjes en een donkere band daarvoor, zonder brede witte vlekken. De vleugel toont hooguit een vage warme zweem, geen duidelijk roodbruin vlak. Jonge vogels hebben een bleekgele tot grijsachtige oogring, wat meer roestbruin in de handpennen en vagere witte staartpunten.

Verwarrings­soorten

De geelsnavelkoekoek Coccyzus americanus heeft een gele ondersnavel, een duidelijk roodbruin vlak in de handpennen en een zwarte onderstaart met grote witte vlekken. De mangrovekoekoek Coccyzus minor heeft een zwart masker, een okerkleurige buik en eveneens een gele ondersnavel. Jonge zwartsnavelkoekoeken met roestbruin in de vleugel zijn de grootste valkuil; de geheel donkere snavel en het staartpatroon geven dan de doorslag.

Leefgebied

Op doortrek in vrijwel elk geboomd terrein: bosranden, secundair bos, halfgroen bos, kustbos, struweel en tuinen met bomen, vooral in het laagland en de heuvels. Eet vooral rupsen, ook harige soorten die andere vogels laten liggen, en andere insecten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Trekt door een groot deel van het gidsgebied, vooral aan de Golf- en Caribische kant: Tamaulipas, Veracruz, Tabasco en het schiereiland Yucatán, en verder Belize, Guatemala, Honduras, Nicaragua, Costa Rica en Panama; aan de Pacifische kant en in het noordwesten van Mexico schaarser. Broedt van het zuiden van Canada tot het midden en oosten van de Verenigde Staten en overwintert in het noordwesten van Zuid-Amerika, van Colombia en Venezuela tot Peru en Bolivia.

  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De beste kans ligt in oktober en begin mei in kustbosjes en bosranden aan de Golf van Mexico en op het schiereiland Yucatán, waar ook andere trekvogels neerstrijken. Bij een koekoek met witte onderdelen is de snavel het eerste kenmerk; de oogring en het staartpatroon bevestigen de determinatie.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, maar in het broedgebied nemen de aantallen af, onder meer door verlies van bos, het bestrijden van rupsenplagen met insecticiden en aanvaringen met gebouwen tijdens de trek. In het gidsgebied een schaarse doortrekker.

Wetenschappelijke naam

Coccyzus erythropthalmus | (Wilson, 1811)

Wilson beschreef de soort in 1811 als Cuculus erythropthalma; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Coccyzus werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Coccyzus is Grieks, van kokkuzō 'koekoek roepen', naar de roep van de koekoek. erythropthalmus is Grieks, van eruthros 'rood' en ophthalmos 'oog', naar de rode oogring. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bij Philadelphia, Pennsylvania, Verenigde Staten.