Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Kolibries › Witkuifkoketkolibrie

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Nachtzwaluwen en gierzwaluwen Strisores

Witkuifkoketkolibrie | Lophornis adorabilis

White-crested Coquette | Coqueta crestiblanca

De witkuifkoketkolibrie komt alleen voor in Costa Rica en het westen van Panama. Het mannetje heeft een lange, witte kuif, een groene keel met verlengde zijveren en een effen roodbruine buik. De soort leeft aan de Pacifische kant, in de heuvels en lagere bergen, en verschijnt vaak alleen tijdelijk op plekken waar planten in bloei staan.

Witkuifkoketkolibrie (Lophornis adorabilis)
Foto: Feroze Omardeen — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Weinig vocaal; een zacht, droog tsjip. Het vleugelgeluid is een zacht zoemen.

Luister: RoepXC168730

Opname: Andrew Spencer — CC BY-NC-SA 3.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

7–8 cm, met een korte, rechte, roodachtige snavel met een donkere punt. De bovendelen zijn bronsgroen met een witachtige band over de stuit; de staart is grotendeels roestbruin. Het mannetje heeft een glanzend groen voorhoofd en een groene keel met verlengde groene veren aan de zijkanten, een lange witte kuif die naar achteren uitsteekt, en een effen roodbruine onderkant. Het vrouwtje mist kuif en keelveren; zij heeft een groene kruin, een witachtige keel met donkere stippels en een roodbruine onderkant.

Verwarrings­soorten

De zwartkuifkoketkolibrie Lophornis helenae leeft aan de Caribische kant; het mannetje heeft een zwarte kuif en een gevlekte onderkant, het vrouwtje een lichte, gevlekte onderkant. De vuurkuifkoketkolibrie Lophornis delattrei in Panama heeft bij het mannetje een roestrode kuif en een groenige onderkant. De groene draadkolibrie Discosura conversii heeft ook een witte stuitband, maar het mannetje heeft draadvormige staartpennen en het vrouwtje een donkere keel met een witte baardstreep.

Leefgebied

Randen van vochtig bos, oud secundair bos, halfopen terrein met verspreide bomen en heggen, schaduwkoffie en tuinen, vooral tussen ongeveer 300 en 1200 m. Foerageert bij bloeiende struiken en bomen langs randen en vangt kleine insecten.

Verspreiding en trek

Endemisch voor het gidsgebied. In Costa Rica aan de Pacifische kant, van de zuidrand van de Centrale Vallei en het dal van de rivier El General zuidelijk tot de dalen van de Térraba en Coto Brus; in het westen van Panama in de provincie Chiriquí.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In het zuiden van Costa Rica, bijvoorbeeld rond San Isidro de El General en San Vito, bij bloeiende struiken en heggen langs bosranden en in tuinen. De aantallen wisselen sterk met de bloei; waar een struik volop bloeit, kunnen dezelfde vogels dagen achtereen terugkomen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Plaatselijk vrij algemeen, maar onregelmatig. Het kleine verspreidingsgebied ligt in een streek waar veel bos is gekapt; de soort maakt wel gebruik van halfopen terrein en tuinen.

Wetenschappelijke naam

Lophornis adorabilis | Salvin, 1870

Salvin beschreef de soort in 1870 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Lophornis werd in 1829 ingevoerd door Lesson. Lophornis is Grieks, van lophos 'kuif' en ornis 'vogel', naar de kuif van de mannetjes. adorabilis is Latijn voor 'aanbiddelijk, verrukkelijk', naar het fraaie mannetje met witte kuif. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Bugaba, Chiriquí, Panama.