Alle soorten › Stormvogelachtigen › Zuidelijke stormvogeltjes › Wilsons stormvogeltje
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Keerkringvogels en watervogels Phaethoquornithes › Water- en moerasvogels Aequornithes
Wilsons stormvogeltje | Oceanites oceanicus
Wilson's Storm Petrel | Paíño de Wilson
Het Wilsons stormvogeltje is een klein, zwartbruin stormvogeltje met een witte stuit dat broedt rond Antarctica en op subantarctische eilanden. Na de broedtijd trekt het in de australe winter naar het noorden en verblijft het in de boreale zomer in grote delen van de Atlantische, de Indische en de Grote Oceaan. In het gidsgebied is het een niet-broedende gast op zee, aan beide kanten van het land, maar in wisselende en slecht bekende aantallen.
Geluid
Op zee meestal stil; bij foeragerende groepjes soms een zacht, piepend getjilp. In de kolonies krassende roepen vanuit de nestholte.
Opname: Fabrice Schmitt — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
16–19 cm. Een klein stormvogeltje met korte, vrij brede, afgeronde vleugels en een rechte staart. Het verenkleed is zwartbruin, met een brede, zuiver witte stuitband die doorloopt tot op de zijkanten van de onderstaartdekveren. Op de bovenvleugel een vage, lichtere band over de armdekveren. De lange poten steken in de vlucht voorbij de staart uit; de zwemvliezen zijn geel, maar dat is alleen van dichtbij te zien. Vliegt met snelle, fladderende slagen en korte glijvluchten, en houdt bij het foerageren de vleugels omhoog terwijl de poten over het water lijken te trippelen.
Verwarringssoorten
Het vale stormvogeltje Hydrobates leucorhous heeft langere, meer geknikte vleugels, een gevorkte staart, een smallere of gedeelde witte stuit en een springerige vlucht; de poten steken niet uit. Het madeirastormvogeltje Hydrobates castro is groter, met langere vleugels, een smallere witte stuitband en geen uitstekende poten. Het galápagosstormvogeltje Hydrobates tethys aan de Pacifische kant heeft een grote, driehoekige witte stuit.
Leefgebied
Op zee, zowel ver uit de kust boven diep water als boven het continentaal plat, soms in zicht van de kust. Raapt kleine kreeftachtigen, visjes en vetdeeltjes van het wateroppervlak op. Volgt geregeld schepen en wordt aangetrokken door olie, visafval en andere sporen van voedsel op het water.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
In het gidsgebied vooral in de boreale zomer waargenomen, zowel in de Golf van Mexico en de Caraïbische Zee als in de Grote Oceaan. Aan de Pacifische kant gemeld voor Mexico, Costa Rica en Panama, maar onregelmatig. Aan de kant van de Golf van Mexico en de Caraïbische Zee zijn de meldingen schaars en slecht bekend. Buiten het gidsgebied broedt de soort op het Antarctisch Schiereiland en op subantarctische eilanden, en trekt zij noordwaarts tot in de noordelijke Atlantische Oceaan, de Indische Oceaan en de Grote Oceaan.
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Pelagische tochten tussen mei en september, waarbij visolie of visafval wordt gebruikt om zeevogels te lokken, bieden de meeste kans. De korte, ronde vleugels, de brede witte stuit en de uitstekende poten zijn de beste kenmerken.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). De soort wordt tot de talrijkste zeevogels ter wereld gerekend, maar de totale aantallen zijn slecht bekend. In het gidsgebied een niet-broedende gast waarvan de werkelijke aantallen door het geringe aantal waarnemers op zee onzeker zijn.
Wetenschappelijke naam
Oceanites oceanicus | (Kuhl, 1820)
Kuhl beschreef de soort in 1820 als Procellaria oceanica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Oceanites werd in 1840 ingevoerd door Keyserling & Blasius. Oceanites is Grieks, Ōkeanitēs: een Oceanide, een van de zeenimfen die als dochters van Okeanos en Tethys golden. oceanicus is Latijn voor 'van de oceaan', naar het leven op volle zee. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zuid-Georgië.

