Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Pijlstaart
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Eend- en hoendervogels Galloanserae
Pijlstaart | Anas acuta
Northern Pintail | Ánade rabudo
De pijlstaart is de slankste grondeleend, met een lange hals en bij het mannetje een naaldvormige staart. In het gidsgebied is hij een wintergast uit Noord-Amerika en in het noorden en op de hoogvlakte van Mexico een van de talrijkste eenden, die op zoutmeren en lagunes in groepen van duizenden kan overwinteren. Naar het zuiden toe wordt hij schaarser.
Geluid
Het mannetje laat een zacht, klokkend fluitje horen, proep-proep; het vrouwtje een laag, schor kwaken en bij het opvliegen een schor kwarr. In de winter weinig te horen.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
51–66 cm; bij het mannetje komen daar de verlengde middelste staartveren nog bij, tot ongeveer 10 cm. Het mannetje heeft een chocoladebruine kop, een witte borst en voorhals met een witte streep die langs de halszijde omhoog loopt, een grijs, fijn gevermiculeerd lichaam, een zwart achterlijf met een crèmekleurige vlek ervoor en een lange, zwarte, spitse staart. Het vrouwtje is fijn gevlekt grijsbruin, met een effen lichtere kop, een lange hals en een spitse staart. De snavel is lang en blauwgrijs met een zwarte middenstreep. In de vlucht slank, met smalle vleugels, een bronsgroene of bruine spiegel met een witte achterrand en een lange nek.
Verwarringssoorten
Het vrouwtje van de wilde eend Anas platyrhynchos en de Mexicaanse eend Anas diazi zijn gedrongener, met een oranje of gelige snavel en een blauwe spiegel met witte randen. Het vrouwtje van de krakeend Mareca strepera heeft een kortere hals, een snavel met oranje randen en een wit vleugelvlak. Het vrouwtje van de Amerikaanse smient Mareca americana heeft een kortere hals, een korte snavel en warm oranjebruine flanken.
Leefgebied
Ondiepe zoete, brakke en zoute meren, de zout- en sodameren van de hoogvlakte, kustlagunes, zoutpannen, overstroomde graslanden en rijstvelden. Grondelt met de lange hals dieper dan andere grondeleenden en eet zaden, waterplanten en kleine ongewervelden. Overdag rust hij vaak in groepen op open water.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Overwintert in heel het noorden en midden van Mexico, met grote aantallen in Baja California, Sonora, Sinaloa, Chihuahua, Coahuila, Durango en op de meren van de centrale hoogvlakte, en verder in Nuevo León, Tamaulipas, Veracruz, Jalisco, Michoacán en Guerrero. In het zuiden van Mexico en in Midden-Amerika schaarser, zuidwaarts tot in Panama. Broedt in het noorden van Noord-Amerika, Europa en Azië.
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op de zoutmeren en lagunes van de hoogvlakte en in de kustlagunes van Sinaloa en Sonora, meestal tussen Amerikaanse smienten, slobeenden en wintertalingen; het lange, slanke silhouet onderscheidt hem al op afstand.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. De Noord-Amerikaanse populatie is sinds de jaren zeventig sterk afgenomen door het omploegen van prairiewetlands in de broedgebieden en is sindsdien niet hersteld. In Mexico wordt op de soort gejaagd, en het verdwijnen van ondiepe meren op de hoogvlakte verkleint het aantal overwinteringsplaatsen.
Wetenschappelijke naam
Anas acuta | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Anas voerde hij in datzelfde werk in. Anas is het Latijnse woord voor 'eend'. acuta is Latijn voor 'spits', van acuere 'scherpen', naar de lange puntige staartveren van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.




