Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Pacifische mantelmeeuw

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae

Pacifische mantelmeeuw | Larus occidentalis

Western Gull | Gaviota occidental

De Pacifische mantelmeeuw is een grote, donkergrijze meeuw die vrijwel alleen langs de Pacifische kust van Noord-Amerika voorkomt en zelden ver van zee komt. In het gidsgebied broedt de soort op eilanden en rotskusten aan de Pacifische kant van Baja California, waar ze het hele jaar aanwezig is. Jonge vogels hebben vier jaar nodig om het volwassen kleed te krijgen.

Pacifische mantelmeeuw (Larus occidentalis)
Foto: User:Dschwen — CC BY 2.5 · Wikimedia Commons

Geluid

Een laag, schor kjouw en reeksen lachende roepen, lager en grover dan bij de Amerikaanse zilvermeeuw; bij de kolonie ook een kort, herhaald kak-kak-kak.

Luister: RoepXC644888

Opname: Thomas G. Graves — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

55–66 cm, een grote, zware meeuw met een dikke gele snavel met een duidelijke hoek aan de ondersnavel en een rode vlek, roze poten en een lichtgeel tot donker oog. Volwassen vogels hebben een witte kop en witte onderdelen en een leigrijze mantel en vleugels, met zwarte vleugelpunten met kleine witte vlekken en een brede witte achterrand. De vogels in Baja California behoren tot de ondersoort L. o. wymani, die donkerder grijs is dan de vogels verder naar het noorden. Ook buiten de broedtijd blijft de kop vrijwel wit. Jonge vogels zijn donker grijsbruin met een zwarte snavel en krijgen geleidelijk een grijze rug.

Verwarrings­soorten

De Californische mantelmeeuw Larus livens lijkt sterk, maar heeft gele poten en leeft vrijwel alleen in de Golf van Californië, waar de Pacifische mantelmeeuw zeldzaam is. De kleine mantelmeeuw Larus fuscus is slanker, met gele poten en langere vleugels. De Amerikaanse zilvermeeuw Larus smithsonianus en de Californische meeuw Larus californicus hebben een veel lichtere grijze mantel. Bastaarden met de beringmeeuw Larus glaucescens komen voor en hebben een lichtere mantel en grijzere vleugelpunten.

Leefgebied

Rotskusten, eilanden en zandstranden, kustwater en baaien, havens en vuilnisbelten bij kustplaatsen. Broedt in kolonies op rotsige eilanden en kliffen. Eet vis, ongewervelden uit de getijdenzone, eieren en jongen van andere zeevogels en afval; zoekt zelden voedsel in het binnenland.

Verspreiding en trek

Broedt langs de Pacifische kust van Baja California, op eilanden en rotskusten van de Coronado-eilanden zuidelijk tot ongeveer het midden van het schiereiland. Buiten de broedtijd verspreid langs de hele westkust van het schiereiland tot Cabo San Lucas, en in kleinere aantallen in het zuiden van de Golf van Californië en langs de kust van Sonora en Sinaloa. Verder zuidelijk, van Nayarit tot Oaxaca, zeldzaam, met losse gevallen in Midden-Amerika tot Costa Rica en Panama. Buiten het gidsgebied broedt de soort langs de kust van Washington, Oregon en Californië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Havens en rotskusten aan de Pacifische kant van Baja California, zoals bij Ensenada, bieden het hele jaar de meeste kans. De donkere mantel, de roze poten en de zware snavel zijn samen de beste kenmerken.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. Het areaal is klein en de populatie vrij stabiel, maar de kolonies zijn gevoelig voor verstoring, ingevoerde roofdieren en veranderingen in de voedselvoorraad op zee. In het gidsgebied een standvogel en broedvogel.

Wetenschappelijke naam

Larus occidentalis | Audubon, 1839

Audubon beschreef de soort in 1839 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Larus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Larus is Latijn, ontleend aan het Griekse laros, en sloeg bij de klassieke schrijvers op een meeuw of een andere grote zeevogel. occidentalis is Latijn voor 'westelijk', naar het voorkomen langs de westkust van Noord-Amerika. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cape Disappointment in Washington.