Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Louisianawaterlijster

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Louisianawaterlijster | Parkesia motacilla

Louisiana Waterthrush | Chipe arroyero

De louisianawaterlijster is de grotere van de twee waterlijsters en broedt langs heldere, stromende beken in loofbos in het oosten van de Verenigde Staten. Hij verlaat het broedgebied vroeg en is een van de eerste Noord-Amerikaanse zangers die in het najaar in het gidsgebied verschijnen. Hier overwintert hij langs snelstromende beken en rivieren in bos, vooral in de voetheuvels.

Louisianawaterlijster (Parkesia motacilla)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Roep een scherp, metalig tsjip, iets voller dan dat van de noordse waterlijster. De zang begint met twee tot vier heldere, dalende fluittonen en eindigt in een snelle, wegebbende reeks. In de winter vooral de roep.

Luister: ZangXC1184018

Opname: Jacob Saucier — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

14–16 cm. Bovendelen grijsachtig olijfbruin. Een lange, zuiver witte wenkbrauwstreep die achter het oog breder wordt. Keel wit en meestal ongestreept. Onderdelen wit met donkerbruine lengtestrepen op borst en flanken; achterflanken en onderstaartdekveren warm okerbruin. Snavel vrij lang en zwaar; poten fel roze. Wipt langzaam, met een zwaaiende beweging van achterlijf en staart. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De noordse waterlijster Parkesia noveboracensis heeft een smallere, vaak geelachtige wenkbrauwstreep die naar achteren smaller wordt, een gestreepte keel, dichtere strepen op gelige of vuilwitte onderdelen zonder okerbruine flanken, een kortere snavel en een snellere wipbeweging; hij leeft vooral bij stilstaand water en in mangrove. De zeemstuitzanger Myiothlypis fulvicauda (Honduras tot Panama) leeft ook langs beken en zwaait met de staart, maar heeft ongestreepte onderdelen en een okergele stuit en staartbasis.

Leefgebied

In de winter snelstromende, heldere beken en riviertjes in vochtig bos, galerijbos en schaduwkoffie, van het laagland tot ongeveer 1500 m, het meest in de voetheuvels. Loopt over stenen en langs de oever en zoekt naar waterinsecten en hun larven, slakken en andere kleine dieren.

Verspreiding en trek

Broedt in het oosten van de Verenigde Staten en het uiterste zuiden van Ontario. Overwintert van het noorden van Mexico door Midden-Amerika tot Panama, in het Caribisch gebied en schaars in het noordwesten van Zuid-Amerika. In het gidsgebied wijdverbreid aan beide kanten, vanaf het zuiden van Sonora en Nuevo León zuidwaarts, vooral langs beken in heuvelland en lager middengebergte.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Langs beken in bos al vanaf eind juli of augustus aanwezig, ruim voor de meeste andere Noord-Amerikaanse zangers. De roep boven het geluid van stromend water is vaak het eerste teken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Wijdverbreid. Gevoelig voor vervuiling en verslibbing van beken, zowel in het broedgebied als in het overwinteringsgebied.

Wetenschappelijke naam

Parkesia motacilla | (Vieillot, 1809)

Vieillot beschreef de soort in 1809 als Turdus motacilla; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Parkesia werd in 2008 ingevoerd door Sangster. Parkesia is genoemd naar de Amerikaanse ornitholoog Kenneth Carroll Parkes (1922–2007), lang conservator vogels van het Carnegie Museum. motacilla is Latijn voor 'kwikstaart', naar het voortdurende wippen met de staart. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kentucky.