Alle soorten › Zangvogels › Ovenvogels en muisspechten › Kleine langstaartmuisspecht
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae
Kleine langstaartmuisspecht | Deconychura typica
Piping Long-tailed Woodcreeper | Trepatroncos colilargo pequeño
De kleine langstaartmuisspecht is een slanke, vrij egaal bruine muisspecht met een opvallend lange staart en een dunne, rechte snavel. Hij leeft teruggetrokken in de binnenkant van vochtig bos en valt vooral op door zijn hoge, fluitende zang. Hij werd vroeger met verwante vormen in Zuid-Amerika samengenomen als één soort, de langstaartmuisspecht.
Geluid
De zang is een reeks heldere, hoge, fluitende tonen die licht in toonhoogte dalen. Daarnaast korte, scherpe roepjes.
Opname: Sam Darmstadt — CC BY-NC 4.0 · Omgezet naar mp3, mono, ongewijzigde lengte · iNaturalist
Herkenning
18–20 cm, waarvan een groot deel staart. Bovendelen olijfbruin, vleugels, stuit en staart roodbruin. Een smalle lichte wenkbrauwstreep; keel licht okerkleurig. Borst bruin met fijne, lichte okerkleurige streepjes, die naar de buik toe vervagen. Snavel vrij kort, dun en recht. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk.
Verwarringssoorten
De grijze muisspecht Sittasomus griseicapillus is kleiner, met een grijsolijfkleurige kop en onderzijde zonder streepjes. De wigsnavelmuisspecht Glyphorynchus spirurus is kleiner en korterstaartig, met een wigvormige snavel. De grijswangmuisspecht Dendrocincla fuliginosa en de rosse muisspecht Dendrocincla homochroa zijn groter en forser, met een zwaardere snavel en zonder streepjes op de borst.
Leefgebied
Binnenkant van vochtig altijdgroen bos in het laagland en vooral de voetheuvels. Klimt tegen stammen in de lagere en middelste etages en sluit zich vaak aan bij gemengde troepen. Nestelt in een boomholte.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Plaatselijk en schaars in het oosten van Honduras en in Nicaragua; verder in Costa Rica en Panama. Buiten het gidsgebied in het noordwesten van Zuid-Amerika.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het best te vinden door in vochtig voetheuvelbos te luisteren naar de hoge, fluitende zang en gemengde troepen in de ondergroei af te zoeken.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Schaars en weinig opvallend; gebonden aan ongestoord bos en gevoelig voor versnippering.
Wetenschappelijke naam
Deconychura typica | Cherrie, 1891
Cherrie beschreef de soort in 1891 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Deconychura voerde hij in datzelfde werk in. Deconychura is Grieks, van deka 'tien', onux 'klauw' en oura 'staart': de beschrijver meende dat de staart tien pennen met uitstekende, gekromde schachtpunten had. typica is Latijn voor 'typisch, kenmerkend': de soort is de typesoort van het geslacht Deconychura. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Pozo Azul de Pirrís, Zuidwest-Costa Rica.


