Alle soorten › Scharrelaarachtigen › Motmots › Kielsnavelmotmot

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Roofvogels, uilen, ijsvogels en spechten Afroaves › Muisvogels, scharrelaars en spechten Coraciimorphae › Trogons en holenbroeders Cavitaves › Neushoornvogels, ijsvogels en spechten Picocoraciae › IJsvogels, bijeneters en spechten Picodynastornithes

Kielsnavelmotmot | Electron carinatum

Keel-billed Motmot | Momoto pico quilla

De kielsnavelmotmot is een zeldzame motmot van vochtig bos aan de Caribische kant van Midden-Amerika, van Belize en Guatemala tot Costa Rica. De soort komt alleen in het gidsgebied voor en is kwetsbaar door het verdwijnen van laagland- en voetheuvelbos. De naam verwijst naar de brede snavel met een verhoogde rug of kiel.

Kielsnavelmotmot (Electron carinatum)
Foto: Rhododendrites — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een nasaal, kwakend kraa of kwaah, vaak lang herhaald met tussenpozen van enkele seconden. Lijkt op de roep van de breedsnavelmotmot, maar klinkt ruwer en wat lager.

Luister: ZangXC642860

Opname: Liliana Chavarria-Duriaux — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

30–35 cm, inclusief de staartvlaggen. Grotendeels groen, op de onderdelen iets lichter en olijfkleuriger. Het voorhoofd is roestbruin; een smalle turquoise streep loopt boven het zwarte masker. Op het midden van de borst ligt een kleine zwarte vlek. Vleugels en staart zijn groen tot blauwgroen; de twee middelste staartpennen eindigen in een vlag aan een kort kaal stuk schacht, maar bij versleten veren ontbreken de vlaggen soms. De snavel is breed en plat met een duidelijke kiel op de bovensnavel. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De breedsnavelmotmot Electron platyrhynchum heeft een roestbruine kop, hals en borst, een turquoise kin en alleen een groene buik; bij de kielsnavelmotmot is alleen het voorhoofd roestbruin. De twee soorten komen in Honduras, Nicaragua en Costa Rica plaatselijk naast elkaar voor. Momotus-soorten zoals de lessons motmot Momotus lessonii zijn groter, hebben een zwarte kruin met een blauwe ring, een smallere snavel en langere kale schachten. De wenkbrauwmotmot Eumomota superciliosa heeft een roestbruine rug en buik en leeft in droger, opener land.

Leefgebied

Vochtig laaglandbos en voetheuvelbos aan de Caribische kant, tot ongeveer 1200 m; in Belize ook in seizoensbos op kalksteen. Leeft in de middelste boomlaag en het hogere deel van de onderlaag van gesloten bos, vaak in heuvelland en langs ravijnen. Zit lang stil en zwaait af en toe met de staart. Broedt in een zelfgegraven tunnel in een oever, ook in de wand van een kuil of omgevallen wortelkluit.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Caribische kant van Belize, Guatemala, Honduras, Nicaragua en het noorden en midden van Costa Rica; het zwaartepunt van de populatie ligt in Honduras en Costa Rica. In Mexico vroeger bekend uit het zuiden van Veracruz, Oaxaca, Tabasco en Campeche; daar zijn na het midden van de twintigste eeuw nauwelijks waarnemingen meer gedaan. Komt niet voor in Panama. Buiten het gidsgebied niet aanwezig.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Bekende plaatsen zijn de hellingen van Pico Bonito bij La Ceiba in Honduras en de Caribische voetheuvels rond Arenal in Costa Rica. De nasale roep klinkt vooral in de vroege ochtend; een roepende vogel zit vaak roerloos in de schaduw onder het bladerdak.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar. De populatie is klein en sterk versnipperd en neemt af door kap van laagland- en voetheuvelbos. In Mexico mogelijk verdwenen.

Wetenschappelijke naam

Electron carinatum | (Du Bus de Gisignies, B-AL, 1847)

Du Bus de Gisignies, B-AL beschreef de soort in 1847 als Prionites carinatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Electron werd in 1848 ingevoerd door Gistel. Electron is Grieks ēlektron 'barnsteen'; Gistel gaf de naam in 1848 als vervanging voor een bezette naam, zonder uitleg, mogelijk naar de kleur van het verenkleed. carinatum is Latijn voor 'gekield', naar de scherpe kiel op de bovenkant van de snavel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Guatemala.