Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Grote piewie

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Grote piewie | Contopus pertinax

Greater Pewee | Pibí tengofrío

De grote piewie is de piewie van de pijn-eikenbossen in de bergen van Mexico en het noorden van Midden-Amerika: een grote, grijze vliegenvanger met een spitse kuif en een felle oranje ondersnavel. Zijn fluitende zang, die in het Spaans wordt weergegeven als tengo frío ('ik heb het koud') of als José María, is in deze bossen een vertrouwd geluid.

Grote piewie (Contopus pertinax)
Foto: Len Worthington — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een helder, weemoedig fluitend ho-sé ma-RIE-a of tengo-FRIE-o. Roept vaak met een herhaald pip-pip of pip.

Luister: RoepXC1107062

Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

18–20 cm, met een spitse kuif en een vrij lange staart. Bovendelen grijsolijf; onderdelen grijs, op de buik lichter en vaak geelachtig getint. Vleugels donker met smalle, vaalgrijze vleugelstrepen. Snavel vrij groot; ondersnavel geheel oranje of oranjegeel. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De sparrenpiewie Contopus cooperi (doortrekker) heeft geen kuif, een korter staartje, een donker, open vest met een witte middenstreep en een donkere punt aan de ondersnavel. De westelijke bospiewie Contopus sordidulus is kleiner, zonder spitse kuif, met duidelijkere vleugelstrepen en een grotendeels donkere ondersnavel. De noordelijke kuiftiran Mitrephanes phaeocercus is veel kleiner en kaneelkleurig.

Leefgebied

Pijn-eikenbos, eikenbos, nevelwoud en naaldbos in de bergen, vooral tussen ongeveer 1500 en 3500 m, aan bosranden, open plekken en langs beekdalen; buiten het broedseizoen ook lager, onder meer in oeverbos. Zit hoog op een kale tak en vliegt van daaruit insecten achterna.

Verspreiding en trek

In de bergen van Mexico, in de Sierra Madre Occidental vanaf Sonora en Chihuahua, in de Sierra Madre Oriental vanaf Coahuila en Nuevo León, en verder in de vulkanische gordel van Midden-Mexico, de Sierra Madre del Sur en de hooglanden van Chiapas; vandaar door de hooglanden van Guatemala, El Salvador en Honduras tot in het noorden van Nicaragua. In het noorden trekt een deel van de vogels in de winter weg of naar lagere hoogten. Buiten het gidsgebied broedt de soort in de bergen van het zuidoosten van Arizona en het zuidwesten van New Mexico.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In pijn-eikenbos vooral te vinden op zijn zang en roep; hij zit vaak op de top van een dode tak boven het bladerdak.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen in bergbos; verdwijnt waar het bos wordt gekapt, maar komt ook voor in halfopen bos met losse hoge bomen.

Wetenschappelijke naam

Contopus pertinax | Cabanis & Heine, 1860

Cabanis & Heine beschreef de soort in 1860 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Contopus werd in 1855 ingevoerd door Cabanis. Contopus is Grieks, van kontos 'paal, schacht' en pous 'voet', naar de korte poten. pertinax is Latijn voor 'volhardend, hardnekkig'; waarop de naam precies doelt, lichtten de beschrijvers niet toe. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Xalapa, Veracruz, Mexico.