Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Grote geelpootruiter
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae
Grote geelpootruiter | Tringa melanoleuca
Greater Yellowlegs | Archibebe patigualdo grande
De grote geelpootruiter is een forse, langpotige ruiter met felgele poten en een luide roep, die bij verstoring vaak als eerste alarm slaat. Hij broedt in de boreale moerassen van Alaska en Canada en is in het gidsgebied een wijdverbreide wintergast en doortrekker, aan de kust en in het binnenland, meestal in kleinere groepen dan de kleine geelpootruiter.
Geluid
Een luid, helder en dalend tjuu-tjuu-tjuu in een reeks van drie of vier tonen, dringender dan bij de kleine geelpootruiter; vaak gegeven bij het opvliegen. In het voorjaar ook een herhaald, rollend tuwie-tuwie.
Opname: Don Profota — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
29–33 cm, fors en langpotig, met felgele poten en een lange snavel van ongeveer anderhalf keer de kopslengte, die vaak licht opgewipt is en in de winter een grijzige basis heeft. In het winterkleed grijs van boven met witte stippen en randjes, wit van onder met een fijn gestreepte hals en borst en een witte oogring. In broedkleed zijn de bovendelen zwart, grijs en wit geblokt en zijn borst en flanken zwaar zwart gestreept en gevlekt. Jonge vogels hebben bruinere bovendelen met fijne lichte stippen. In vlucht donkere vleugels zonder vleugelstreep, een vierkante witte stuit en een gebandeerde staart.
Verwarringssoorten
De kleine geelpootruiter Tringa flavipes is kleiner en fijner, met een rechte, dunne, egaal donkere snavel van kopslengte en een zachtere roep van één of twee tonen; in gemengde groepen helpt het formaatverschil. De willet Tringa semipalmata is grijzer en zwaarder, met grijze poten, een dikke rechte snavel en in vlucht een opvallend zwart-wit vleugelpatroon. De steltstrandloper Calidris himantopus is kleiner, met groenige poten en een aan de punt licht gebogen snavel.
Leefgebied
Ondiepe randen van lagunes, estuaria, zoutpannen, slikken en mangrovegeulen, en in het binnenland meren, stuwmeren, rivieroevers, natte graslanden, rijstvelden en garnalenvijvers, van het laagland tot op de Mexicaanse hoogvlakte. Foerageert in dieper water dan de meeste steltlopers, vaak rennend achter kleine visjes aan, en vangt daarnaast kreeftachtigen en insecten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Wintergast en doortrekker in het hele gidsgebied, van Baja California en het noorden van Mexico tot Panama, aan beide kusten en in het binnenland tot op de hoogvlakte. De eerste vogels arriveren in juli, de laatste vertrekken in april en mei; enkele niet-broedende vogels blijven de zomer over. Buiten het gidsgebied broedt de soort in Alaska en Canada en overwintert zij van de kusten van de Verenigde Staten en het Caribisch gebied tot het zuiden van Zuid-Amerika.
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Lagunes, zoutpannen en ondergelopen velden met groepen steltlopers; de luide reeks van drie of vier tonen bij het opvliegen verraadt de soort meestal eerder dan het zicht. Waar kleine geelpootruiters naast grote staan, zijn formaat en snavellengte direct te vergelijken.
Staat van instandhouding
Gevoelig. De wereldpopulatie neemt af. Als oorzaken gelden het verlies van pleisterplaatsen en wintergebieden en de jacht op steltlopers in het Caribisch gebied en het noorden van Zuid-Amerika. In het gidsgebied verdwijnen lagunes en natte graslanden door drooglegging, kustbebouwing en de aanleg van garnalenkwekerijen.
Wetenschappelijke naam
Tringa melanoleuca | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Scolopax melanoleuca; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tringa werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Tringa is de neolatijnse naam die Aldrovandi aan het witgatje gaf, naar het Griekse trungas, bij Aristoteles een waadvogel zo groot als een lijster, met witte stuit en wippende staart. melanoleuca is Grieks, van melas 'zwart' en leukos 'wit', naar het zwart-wit getekende verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Château Bay in Labrador.






