Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Drieteenmeeuw

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae

Drieteenmeeuw | Rissa tridactyla

Black-legged Kittiwake | Gaviota tridáctila

De drieteenmeeuw is een echte zeemeeuw van de noordelijke oceanen, die buiten de broedtijd op open zee leeft. Het gidsgebied ligt aan de zuidrand van het winterareaal: de soort is een schaarse en onregelmatige wintergast, vooral voor de kust van Baja California. In sommige winters komen meer vogels zuidelijk dan in andere.

Drieteenmeeuw (Rissa tridactyla)
Foto: DickDaniels (http://carolinabirds.org/) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Buiten de broedtijd vrijwel stil. Op de broedplaats een nasaal kittie-wee-uk, waaraan de soort haar Engelse naam ontleent.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC1182539

Opname: Christian Kerihuel — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

37–42 cm, een middelgrote meeuw met een zachte gezichtsuitdrukking, een donker oog, een kleine, ongetekende gele snavel en korte zwarte poten. Volwassen vogels hebben een middengrijze mantel en vleugels, die naar de vleugelpunt toe lichter worden, met scherp afgesneden, geheel zwarte vleugelpunten zonder witte vlekken, alsof ze in inkt zijn gedoopt. Buiten de broedtijd een grijze vlek achter het oog en een grijze achterhals. Jonge vogels hebben een zwarte snavel, een zwarte nekband, een zwarte zigzagband in de vorm van een M over de bovenvleugel en een smalle zwarte eindband op de staart, die licht ingesneden is.

Verwarrings­soorten

Jonge vorkstaartmeeuwen Xema sabini hebben een grijsbruine mantel en een grote witte driehoek achter op de vleugel, zonder zwarte M. Jonge kleine kokmeeuwen Chroicocephalus philadelphia zijn kleiner, met een donkere oorvlek, roze poten en een minder scherpe vleugeltekening. De ringsnavelmeeuw Larus delawarensis en de Amerikaanse stormmeeuw Larus brachyrhynchus hebben gele of groengele poten en witte vlekken in de zwarte vleugelpunt.

Leefgebied

Open zee en het continentaal plat, waar de vogels vliegend of zwemmend kleine vissen en ongewervelden van het wateroppervlak pakken; soms in havens, baaien en bij vissersboten. Na stormen zelden ook aan de kust of in het binnenland.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Vooral voor de westkust van Baja California en in het noorden van de Golf van Californië, in wisselende aantallen. Verder zuidelijk langs de Pacifische kust en aan de Golfkust zeldzaam, met losse gevallen tot Costa Rica en Panama en enkele in het binnenland van het noorden van Mexico. Buiten het gidsgebied broedt de soort op rotskusten van het noorden van de Stille en Atlantische Oceaan en de aangrenzende arctische zeeën, en overwintert ze op zee zuidelijk tot Californië en West-Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Pelagische tochten en zeewaarnemingen bij Baja California in de winter bieden de meeste kans, vooral na stormen. De zwarte vleugelpunten zonder wit bij volwassen vogels en de zwarte M bij jonge vogels zijn de beste kenmerken.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar. De wereldpopulatie is sinds de jaren zeventig sterk afgenomen, vooral in het Atlantische deel van het areaal, door veranderingen in de voedselvoorraad op zee die met de opwarming van het zeewater samenhangen, en door bijvangst. In het gidsgebied een schaarse wintergast.

Wetenschappelijke naam

Rissa tridactyla | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Larus tridactylus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Rissa werd in 1826 ingevoerd door Stephens. Rissa gaat terug op het IJslandse rita, de plaatselijke naam voor de drieteenmeeuw. tridactyla is Grieks voor 'drieteenig', van tri- 'drie' en daktylos 'teen': de achterteen is bij deze meeuw tot een stompje teruggebracht. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Groot-Brittannië.