Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Driekleurennon
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae
Driekleurennon | Lonchura malacca
Tricolored Munia | Capuchino tricolor
De driekleurennon is een prachtvink uit India en Sri Lanka, genoemd naar de drie kleuren van zijn verenkleed: zwart, wit en kastanjebruin. Ontsnapte kooivogels hebben zich in de laatste decennia in grote delen van het gidsgebied gevestigd en breiden zich nog steeds uit. Hij leeft in groepen in rijstvelden, natte graslanden en moerassen.
Geluid
Een dun, hoog pie of tiet, vaak door de hele groep herhaald, ook in de vlucht. De zang is een zachte, nauwelijks hoorbare reeks klikjes en piepjes.
Opname: David Ricardo Rodríguez-Villamil — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
11–12 cm. Gedrongen, met een zware, lichte blauwgrijze snavel. Kop, hals en bovenborst zwart, evenals een brede band over het midden van de buik en de onderstaartdekveren. Onderborst en flanken wit. Rug en vleugels warm kastanjebruin, stuit en staart roodbruin. De seksen lijken op elkaar. Jonge vogels zijn egaal warmbruin van boven en lichtbruin van onder, zonder zwarte kop, met een donkerder snavel.
Verwarringssoorten
De kastanjenon Lonchura atricapilla, die als kooivogel kan ontsnappen, heeft ook een zwarte kop, maar kastanjebruine onderdelen zonder wit. De muskaatvink Lonchura punctulata heeft een bruine kop en geschubde onderdelen; jonge vogels van beide soorten zijn nauwelijks te onderscheiden en worden het best herkend aan de volwassen vogels in de groep. Inheemse dikbekjes, zoals het noordelijk bont dikbekje Sporophila corvina, hebben een kortere, rondere snavel en missen de combinatie van zwarte kop en kastanjebruine rug.
Leefgebied
Rijstvelden, natte graslanden, zoetwatermoerassen met hoge grassen en riet, suikerrietvelden en ruige weiden in het laagland. Eet vooral graszaden en rijst en kan in rijstvelden in grote groepen voorkomen. Bouwt een bolvormig nest van gras laag in hoog gras of riet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Van nature in het zuiden van India en op Sri Lanka. Ingevoerd onder meer in het Caribisch gebied, Venezuela en Japan. In het gidsgebied wijdverbreid en nog in uitbreiding in het laagland: vooral in het noordwesten van Costa Rica (Guanacaste en Puntarenas), in Belize, in het noorden van Honduras, op het schiereiland Yucatán en in Tabasco en Veracruz; daarnaast verspreid in Guatemala, El Salvador, Nicaragua en het westen van Panama.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het best te vinden in de rijstvelden en natte weiden van Guanacaste in Costa Rica en in de laaglanden van Belize; groepen vliegen laag op uit het gras en vallen een eind verder weer in.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC). In het gidsgebied een exoot die zich snel uitbreidt. Kan schade aanrichten in rijstvelden; over de gevolgen voor inheemse zaadeters is weinig bekend.
Wetenschappelijke naam
Lonchura malacca | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Loxia malacca; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Lonchura werd in 1832 ingevoerd door Sykes. Lonchura is Grieks, van lonkhē 'speerpunt' en oura 'staart', naar de spits toelopende staart. malacca verwijst naar Malakka op het Maleisisch Schiereiland, een van de oorspronkelijk opgegeven herkomstgebieden. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Belgaum, India.




