Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Donkergrijze buizerd

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Roofvogels, uilen, ijsvogels en spechten Afroaves › Havikachtigen en uilen Hieraves

Donkergrijze buizerd | Cryptoleucopteryx plumbea

Plumbeous Hawk | Gavilán plomizo

De donkergrijze buizerd is een kleine, egaal leigrijze buizerd van het vochtige laaglandbos, met oranje washuid en poten en een zwarte staart met één witte band. Hij leeft teruggetrokken in de onderste en middelste lagen van het bos, vaak bij beken en moerassige plekken, en is daardoor weinig opvallend. In het gidsgebied is hij een schaarse standvogel van het oosten van Panama.

Donkergrijze buizerd (Cryptoleucopteryx plumbea)
Foto: Don Henise — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een dun, hoog, langgerekt en dalend fluitje, wieeeeeoe, vooral vanaf een zitpost in het bos.

Luister: ZangXC1174020

Opname: Juan Freile — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

30–37 cm, gedrongen, met brede, afgeronde vleugels en een vrij korte staart. Volwassen vogels zijn egaal donker leigrijs, met oranje washuid, teugels en poten. De staart is zwart met één smalle witte band in het midden en een smalle witte eindzoom. In de vlucht zijn de ondervleugeldekveren wit en de slagpennen lichtgrijs met donkere bandjes en een donkere achterrand. Jonge vogels zijn wat bruiner grijs en hebben witte bandjes op buik, flanken en dijen. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De slanksnavelwouw Helicolestes hamatus is even groot en ook leigrijs, maar heeft een effen donkere staart, donkere ondervleugels en een dunne, sterk gehaakte snavel. De kleine bonte buizerd Leucopternis semiplumbeus heeft een zelfde bouw, maar is wit van onder. De langpootkiekendief Geranospiza caerulescens is slanker, met een kleine kop, lange rode poten, een langere staart met twee witte banden en in de vlucht een witte band over de handpennen. De donkergrijze wouw Ictinia plumbea heeft lange, spitse vleugels met roodbruine handpennen.

Leefgebied

Ongestoord vochtig laaglandbos en heuvelbos tot ongeveer 900 m, vooral in de buurt van beken, rivieren en moerassige plekken; ook het regenwoud van Darién. Zit lang stil op een lage of middelhoge tak in het bos en jaagt van daaruit op krabben, kikkers, slangen, hagedissen en vissen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Standvogel in Panama, aan de Caribische kant vanaf Coclé en Colón oostwaarts via de provincie Panamá en Guna Yala tot Darién, waar hij het meest wordt gezien. Ontbreekt verder in het gidsgebied. Buiten het gidsgebied in het westen van Colombia, het westen van Ecuador en het uiterste noordwesten van Peru.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De soort zit meestal verscholen in het bos langs beken; de beste kans is in het laaglandbos van Darién en aan de Caribische kant van centraal Panama, door rustig langs bosbeken te lopen en de takken in de onderlaag af te zoeken.

Staat van instandhouding

Gevoelig. De soort heeft een klein verspreidingsgebied en is afhankelijk van ongestoord laaglandbos, dat door ontbossing in omvang afneemt.

Wetenschappelijke naam

Cryptoleucopteryx plumbea | (Salvin, 1872) (GBIF: Leucopternis plumbeus)

Salvin beschreef de soort in 1872 als Leucopternis plumbea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cryptoleucopteryx werd in 2009 ingevoerd door Amaral, Sheldon, Gamauf, Haring, Riesing, Silveira & Wajntal. Cryptoleucopteryx is Grieks, van kruptos 'verborgen', leukos 'wit' en pterux 'vleugel', naar het wit op de vleugel dat pas in de vlucht zichtbaar wordt. plumbea is Latijn voor 'loodkleurig', van plumbum 'lood', naar het leigrijze verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Ecuador.