Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Dennensijs

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Dennensijs | Spinus pinus

Pine Siskin | Jilguero pinero

De dennensijs is een kleine, bruin gestreepte sijs van naaldbossen, met geel in vleugel en staart dat vooral in de vlucht opvalt. In het gidsgebied leeft een eigen populatie jaarrond in de pijn- en zilversparrenbossen van de Mexicaanse bergen tot in Chiapas en Guatemala. In sommige winters komen daar grote aantallen trekvogels uit Noord-Amerika bij.

Dennensijs (Spinus pinus)
Foto: Cephas — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een kenmerkend, stijgend en zoemend zriiieee en een helder tie-ie in de vlucht. De zang is een lange, haastige reeks van getjilp en trillers, doorspekt met het zoemende geluid. Groepen roepen vrijwel voortdurend.

Luister: ZangXC1097608

Opname: Greg Irving — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

11–13 cm. Klein, met een dunne, spitse snavel en een ingesneden staart. Bovendelen bruin met donkere lengtestrepen; onderdelen witachtig met dichte bruine strepen. Op de vleugel twee lichte vleugelstrepen en een gele baan aan de basis van de slagpennen, in de vlucht een opvallende gele band; ook de staartbasis is geel. Bij het mannetje is het geel uitgebreider dan bij het vrouwtje. Vogels uit Chiapas en Guatemala zijn gemiddeld groener en geler.

Verwarrings­soorten

De groene sijs Spinus atriceps (hooglanden van Chiapas en Guatemala) is groen en vrijwel ongestreept, met een donkere kap; tussenvormen met de dennensijs komen voor. Vrouwtjes van de Mexicaanse roodmus Haemorhous mexicanus en de Cassins roodmus Haemorhous cassinii zijn groter, hebben een dikkere snavel en missen het geel in de vleugel. Vrouwtjes van de witbandsijs Spinus psaltria zijn ongestreept olijfgroen en geel.

Leefgebied

Pijnbos, pijn-eikenbos en zilversparrenbos in de bergen, meestal tussen 1500 en 3500 m, ook bosranden, open plekken en tuinen in bergdorpen. Wintergasten verschijnen ook lager, in parken, tuinen en bij voedertafels. Eet zaden van naaldbomen, elzen en kruiden, daarnaast knoppen en insecten. Leeft buiten de broedtijd in groepen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Broedt in Alaska, Canada en het westen van de Verenigde Staten. In het gidsgebied jaarrond in de bergen van Baja California, langs de Sierra Madre Occidental en de Sierra Madre Oriental, in de vulkanengordel van centraal Mexico en verder zuidelijk tot Chiapas en de hooglanden van Guatemala. Trekvogels uit het noorden overwinteren onregelmatig in het noorden van Mexico, in sommige jaren in grote aantallen.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het best te vinden in hooggelegen pijnbossen, zoals op de hellingen van de grote vulkanen van centraal Mexico; groepen zijn vaak eerst aan hun zoemende roep te horen voordat ze in de toppen van de bomen te zien zijn.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Algemeen in de bergbossen van Mexico; de aantallen wintergasten wisselen sterk van jaar tot jaar. Kaalkap van hooggelegen naaldbos is plaatselijk een bedreiging.

Wetenschappelijke naam

Spinus pinus | (Wilson, 1810)

Wilson beschreef de soort in 1810 als Fringilla pinus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Spinus werd in 1816 ingevoerd door Koch. Spinus gaat terug op het Oudgriekse spinos, de naam van een kleine vogel die niet meer met zekerheid thuis te brengen is. pinus is Latijn voor 'den', naar de voorkeur voor naaldbossen en dennenzaad. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Bush Hill bij Philadelphia, Pennsylvania, VS.