Alle soorten › Nachtzwaluwachtigen › Nachtzwaluwen › Carolinanachtzwaluw
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Nachtzwaluwen en gierzwaluwen Strisores
Carolinanachtzwaluw | Antrostomus carolinensis
Chuck-will's-widow | Tapacaminos de Carolina
De carolinanachtzwaluw is de grootste nachtzwaluw van Noord-Amerika, een zware, warm roestbruine vogel met een grote, platte kop. Hij broedt in het zuidoosten van de Verenigde Staten en overwintert voor een groot deel in het gidsgebied, van het oosten van Mexico tot Panama. In de winter is hij vrijwel stil en wordt hij meestal toevallig gevonden, overdag opgejaagd uit het bos of 's nachts op een weg.
Geluid
De zang, een ritmisch tsjuk-wil-WIE-do met een zachte eerste toon, is vooral in het broedgebied te horen; in het gidsgebied zingt de soort hooguit in het voorjaar kort voor het vertrek. In de winter is meestal alleen een laag kwuk of niets te horen.
Opname: steve — CC BY-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
28–33 cm. Een grote, zware nachtzwaluw met een grote, platte kop, een brede bek met lange borstels, lange vleugels en een lange, afgeronde staart. Het verenkleed is warm roestbruin tot geelbruin, fijn gemarmerd en gevlekt met zwart. De keel is roestbruin met daaronder een smalle, lichte band; de borst is donker gevlekt. Het mannetje heeft witte binnenvlaggen aan de drie buitenste staartpennen, vooral zichtbaar bij het wegvliegen; bij het vrouwtje zijn die delen geelbruin. De vleugels missen een witte band.
Verwarringssoorten
De rosse nachtzwaluw Antrostomus rufus in Costa Rica en Panama lijkt er sterk op, maar is kleiner, met een duidelijker lichte keelband en kleinere witte staartvlekken bij het mannetje; buiten de zang zijn ze nauwelijks te onderscheiden. De whippoorwill Antrostomus vociferus en de Mexicaanse whippoorwill Antrostomus arizonae zijn kleiner en grijzer, met een zwartere keel en bij het mannetje meer wit in de staart. De salvins nachtzwaluw Antrostomus salvini en de Yucatánnachtzwaluw Antrostomus badius zijn kleiner en donkerder, met een roestkleurige nekband. De pauraque Nyctidromus albicollis heeft een langere staart en bij het mannetje een witte vleugelband.
Leefgebied
In de winter halfgroen en droog bos, bosranden, secundair bos, kustbos, mangroverand, struweel en plantages met bomen, vooral in het laagland maar plaatselijk tot in pijn-eikenbos in de bergen. Rust overdag op de grond tussen het blad of in de lengterichting op een tak. Jaagt in de schemering en 's nachts op grote insecten en vangt soms kleine vogels of vleermuizen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Wintergast in Mexico aan de Golfkant en de Caribische kant, van Tamaulipas en Veracruz over Tabasco, Oaxaca en Chiapas tot het schiereiland Yucatán, en in heel Midden-Amerika van Belize en Guatemala tot Panama, het vaakst gemeld in Costa Rica. Doortrekkers volgen vooral de Golfkust. Buiten het gidsgebied broedt de soort in het zuidoosten en midden van de Verenigde Staten; ze overwintert ook in Florida, op de Grote Antillen en in het noordwesten van Zuid-Amerika.
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De vogels worden meestal toevallig gevonden: opgejaagd van de grond in bos of struweel, of 's nachts in het lamplicht op een weg. Op sommige plekken, zoals parken en lodges in Costa Rica en Belize, keren dezelfde vogels dagelijks terug naar een vaste rustplek en zijn ze daar overdag te zien.
Staat van instandhouding
Gevoelig. De broedpopulatie in de Verenigde Staten is de afgelopen decennia sterk afgenomen, onder meer door verlies van bos en een afname van grote nachtinsecten. In het gidsgebied hangt de soort in de winter af van bos en struweel in het laagland, dat door ontginning achteruitgaat.
Wetenschappelijke naam
Antrostomus carolinensis | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Caprimulgus carolinensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Antrostomus werd in 1838 ingevoerd door Bonaparte. Antrostomus is Grieks, van antron 'grot' en stoma 'mond': 'grotmond', naar de enorm wijde muil. carolinensis betekent 'uit Carolina', naar de Amerikaanse kolonie waar Catesby de vogel beschreef. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit South Carolina.





