Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Bonte strandloper

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae

Bonte strandloper | Calidris alpina

Dunlin | Correlimos común

De bonte strandloper is een middelgrote strandloper met een lange, aan de punt neergebogen snavel. Hij broedt op de arctische toendra en overwintert in grote groepen op slikken en stranden. In het gidsgebied is hij vooral een wintergast in het noordwesten van Mexico; verder naar het zuiden wordt hij snel schaarser.

Bonte strandloper (Calidris alpina)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een raspend, schurend krrie of trrriet, vooral bij het opvliegen; groepen laten een aanhoudend zacht getsjilp horen.

Luister: VluchtroepXC1185345

Opname: Paul Kelly — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

18–22 cm, gedrongen, met een vrij korte hals, korte zwarte poten en een zwarte snavel die duidelijk langer is dan de kop en aan de punt naar beneden buigt. In het winterkleed, het kleed dat in het gidsgebied het meest te zien is, effen grijsbruin van boven, met een vage, grijsbruine waas over hals en borst en een witte buik. In het broedkleed, soms nog in april te zien, een roestrode rug en kruin en een grote zwarte vlek op de buik. In de vlucht een duidelijke witte vleugelstreep en een stuit met een zwart midden en witte zijkanten.

Verwarrings­soorten

De drieteenstrandloper Calidris alba is in de winter veel bleker, bijna wit, met een korte, rechte snavel en een zwarte vlek op de schouder. De Alaskastrandloper Calidris mauri heeft een vergelijkbare, licht gebogen snavel, maar is duidelijk kleiner en lichter gebouwd. De steltstrandloper Calidris himantopus heeft lange, groenige poten, een witte stuit en een lichte wenkbrauwstreep. De kanoet Calidris canutus is groter en zwaarder, met een kortere, rechte snavel.

Leefgebied

Slikken, getijdenvlakten, lagunes, estuaria, zoutpannen en zandstranden, plaatselijk ook de randen van zoetwatermeren, zuiveringsvijvers en rijstvelden. Foerageert met snelle, herhaalde prikbewegingen in natte modder, vaak in dichte groepen met andere strandlopers, en rust bij hoogwater op zandbanken en dijkjes.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Talrijk in de winter langs de kusten van Baja California en de Golf van Californië, van de Coloradodelta tot Sonora en Sinaloa, en plaatselijk aan de Golfkust van Tamaulipas en Veracruz. Verder naar het zuiden schaars langs de Pacifische kust tot Nayarit en Jalisco en zeldzaam op het schiereiland Yucatán; in Midden-Amerika een zeldzame wintergast, met verspreide waarnemingen tot in Costa Rica en Panama. Buiten het gidsgebied broedt de soort rond de hele Noordpool, in Amerika van Alaska tot Hudsonbaai, en overwintert zij in Amerika vooral langs de kusten van de Verenigde Staten.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De grote slikken en zoutpannen rond de Golf van Californië en in Baja California houden in de winter grote groepen; bij opkomend tij schuiven die op naar de laatste droge banken, waar ze van dichtbij te bekijken zijn.

Staat van instandhouding

Gevoelig. Langlopende tellingen in Noord-Amerika wijzen op een afname. In de overwinteringsgebieden verdwijnen slikken en zoutpannen door havenaanleg, garnalenkweek en bebouwing langs de kust; ook verstoring van rustplaatsen bij hoogwater speelt mee.

Wetenschappelijke naam

Calidris alpina | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Tringa alpina; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. alpina is Latijn voor 'van de hoge bergen'; het slaat hier op de toendra in het algemeen, niet op de Alpen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Lapland.