Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Blonde ruiter

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae

Blonde ruiter | Calidris subruficollis

Buff-breasted Sandpiper | Correlimos canelo

De blonde ruiter is een kleine, beige strandloper van droog, kort grasland, die broedt op de arctische toendra van Alaska en Canada en overwintert op de pampa's van Argentinië, Uruguay en Zuid-Brazilië. De trek loopt grotendeels door het binnenland van Noord- en Zuid-Amerika; in het gidsgebied is de soort een schaarse doortrekker, het meest in het oosten en noorden van Mexico.

Blonde ruiter (Calidris subruficollis)
Foto: Stephan Sprinz — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal stil; soms een zacht, laag prrrt of een kort tik.

Luister: VluchtroepXC1179766

Opname: Paul Kelly — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

18–20 cm, met een kleine, ronde kop, een korte, rechte zwarte snavel, grote donkere ogen in een egaal beige gezicht en heldergele poten. Bovendelen geschubd door donkere veercentra met lichte, beige randen; kop, hals en onderdelen effen warm beige, naar de buik lichter, met fijne donkere stipjes op de zijkant van de borst. In vlucht geen vleugelstreep, een donkere stuit en een witte ondervleugel met een donkere rand; bij baltsende of strekkende vogels valt de witte ondervleugel op.

Verwarrings­soorten

De Amerikaanse goudplevier Pluvialis dominica, die op dezelfde graslanden voorkomt, is groter, met een korte plevierensnavel en een gespikkelde, niet geschubde rug. De bartrams ruiter Bartramia longicauda is groter, met een lange hals, een kleine kop en een lange staart. De bairds strandloper Calidris bairdii heeft zwarte poten en lange vleugels die voorbij de staart reiken.

Leefgebied

Kortgrazig grasland en weiland, vliegvelden, golfbanen en sportvelden, geoogste of pas ondergelopen rijstvelden en akkers, en de droge, begroeide randen van plassen en lagunes; zelden op slik. Foerageert lopend en pikkend als een kleine plevier, vaak samen met goudplevieren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Schaarse doortrekker, het meest in het oosten van Mexico, langs de Golfkust van Tamaulipas en Veracruz en in het noorden van het land, waar de trekroute tussen de prairies van Noord-Amerika en Zuid-Amerika het gidsgebied raakt. Zuidelijker, in Midden-Amerika, schaars en onregelmatig, met waarnemingen onder meer in Belize, Guatemala, Costa Rica en Panama. Buiten het gidsgebied broedt de soort in Noord-Alaska en Arctisch Canada en overwintert zij in het zuidoosten van Zuid-Amerika.

  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Kortgemaaide grasvelden, weiland en rijstvelden langs de Golfkust tijdens de trek, vooral na regen of noordenwind. Groepen Amerikaanse goudplevieren en bartrams ruiters zijn het nagaan waard; de vogels zijn vaak weinig schuw.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar. De populatie is in de 19e en vroege 20e eeuw sterk teruggebracht door jacht en lijdt nu onder het verlies van natuurlijk grasland op de trekroute en in de overwinteringsgebieden. In het gidsgebied is de soort tijdens de trek afhankelijk van open, kort grasland.

Wetenschappelijke naam

Calidris subruficollis | (Vieillot, 1819)

Vieillot beschreef de soort in 1819 als Tringa subruficollis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. subruficollis verbindt het Latijnse subrufus 'roodachtig' — uit sub 'enigszins' en rufus 'rossig' — met collum 'hals'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Paraguay.