Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Amerikaanse sperwer
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Roofvogels, uilen, ijsvogels en spechten Afroaves › Havikachtigen en uilen Hieraves
Amerikaanse sperwer | Accipiter striatus
Sharp-shinned Hawk | Gavilán pecho rufo
De Amerikaanse sperwer is een kleine havik met korte, afgeronde vleugels en een lange, recht afgesneden staart, die tussen bomen en struiken vooral kleine zangvogels vangt. In het gidsgebied leven standvogels in de bergbossen van Mexico tot Nicaragua; van oktober tot april komen daar wintergasten uit Noord-Amerika bij, die zich over vrijwel het hele gidsgebied verspreiden. Tot deze soort behoort ook een vorm met witte onderdelen in de hooglanden van Chiapas tot Nicaragua, die soms als afzonderlijke soort wordt behandeld.
Geluid
Een hoog, snel kie-kie-kie-kie rond het nest; daarbuiten meestal stil.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
24–34 cm. Volwassen vogels zijn van boven blauwgrijs met een iets donkerder kruin; de onderdelen zijn fijn oranjerood gebandeerd. De staart is grijs met drie of vier donkere banden en een rechte of licht ingekeepte punt met een smalle witte rand. De ogen zijn rood bij volwassen vogels en geel bij jonge. De standvogels in de Mexicaanse bergen hebben effen roodbruine dijen; de vorm in de hooglanden van Chiapas tot Nicaragua heeft witte tot lichtroomkleurige onderdelen zonder of met weinig bandering. Jonge vogels zijn bruin van boven en wit van onderen met brede, vage bruine lengtestrepen tot op de buik. In de vlucht steekt de kleine kop nauwelijks voor de vleugels uit. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk; het vrouwtje is duidelijk groter.
Verwarringssoorten
De coopers sperwer Astur cooperii is groter, met een grotere kop die verder voor de vleugels uitsteekt, een langere, afgeronde staart met een brede witte eindrand en bij volwassen vogels een donkere kap die afsteekt tegen de lichtere nek; kleine mannetjes van de coopers sperwer en grote vrouwtjes van de Amerikaanse sperwer zijn niet altijd met zekerheid te onderscheiden. De Amerikaanse dwergsperwer Microspizias superciliosus is kleiner, met een kortere staart, en leeft in laaglandregenwoud. De tweekleurige havik Astur bicolor is groter, met effen grijze onderdelen en roodbruine dijen. Het smelleken Falco columbarius heeft spitse vleugels en een snelle, rechtlijnige vlucht.
Leefgebied
Pijn-eikenbos, eikenbos, naaldbos en nevelwoud in de bergen, meestal boven 1000 m. Wintergasten ook in laaglandbos, bosranden, struweel, schaduwkoffie en in parken en tuinen in steden. Broedt in een dichte boom, vaak een naaldboom. Jaagt door snel en laag langs struiken en bosranden te vliegen en vogels te verrassen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Standvogel in de bergen van Mexico, van de Sierra Madre Occidental en de Sierra Madre Oriental zuidwaarts via de Transmexicaanse vulkanengordel en de Sierra Madre del Sur tot Oaxaca, en in de hooglanden van Chiapas, Guatemala, El Salvador, Honduras en het noorden van Nicaragua. Wintergasten uit Canada en de Verenigde Staten zijn van oktober tot april in vrijwel heel Mexico aanwezig en trekken door tot in Midden-Amerika; in Costa Rica zijn ze schaars, in Panama zeldzaam. Bij de trek in september–oktober en maart–april komen ze in aantal langs de Golfkust van Veracruz. Buiten het gidsgebied broedend in Canada, de Verenigde Staten en op de Grote Antillen.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In september en oktober trekken bij Cardel en Chichicaxtle in Veracruz duizenden vogels langs de telposten van de roofvogeltrek. In de winter jagen vogels vaak in parken en tuinen in Mexicaanse steden, waar ze laag tussen de bomen door schieten.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De vorm met witte onderdelen in de hooglanden van Chiapas tot Nicaragua is plaatselijk schaars door de kap van pijn-eikenbos en nevelwoud.
Wetenschappelijke naam
Accipiter striatus | Vieillot, 1808
Vieillot beschreef de soort in 1808 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Accipiter werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Accipiter is het Latijnse woord voor 'havik', bij accipere 'grijpen'. striatus is Latijn voor 'gestreept', naar de gestreepte en gebandeerde onderdelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Santo Domingo, Dominicaanse Republiek.






