Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Rallen › Zwarte dwergral
Zwarte dwergral | Laterallus jamaicensis
Black Rail | Polluela negra
De zwarte dwergral is een van de kleinste rallen ter wereld en wordt in het gebied zelden gezien. Hij leeft in de dichtste, ondiepste delen van moerassen en natte graslanden, roept vooral 's nachts en vliegt bijna nooit op. De soort is in 1789 beschreven naar een vogel van Jamaica, wat de wetenschappelijke naam verklaart, maar op de eilanden is ze sindsdien maar weinig vastgesteld.
Geluid
De bekendste roep is een schel, herhaald kie-kie-doer, waarvan de laatste toon lager is, vooral in de nacht en de vroege ochtend in de broedtijd. Daarnaast een grommend, knorrend geluid bij territoriumgeschillen en zachte tikkende tonen.
Opname: Paul Lenrumé — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
12–15 cm, zo groot als een mus, rond, met een korte staart en een korte, zwarte snavel. Het verenkleed is donker leigrijs tot zwartachtig, de kop iets lichter grijs. De nek en bovenrug zijn roodbruin. Rug en vleugels hebben fijne witte spikkels, de flanken en onderstaart zijn smal wit gebandeerd. Het oog is rood bij volwassen vogels; jonge vogels hebben een bruin oog dat in de eerste maanden rood kleurt. De poten zijn donker. De seksen lijken op elkaar.
Verwarringssoorten
Het geelbuikporseleinhoen Laterallus flaviventer is even klein, maar heeft een okergeel gezicht en een gele borst, een lichte wenkbrauwstreep en gele poten. Zwarte donsjongen van andere rallen, zoals het waterhoen Gallinula chloropus en de soraral Porzana carolina, kunnen in dichte begroeiing op een zwarte dwergral lijken, maar missen de witte spikkels en de roodbruine nek. De zapataral Mustelirallus cerverai van Cuba is veel groter, met een lange, groengele snavel.
Leefgebied
Zeer ondiep water of verzadigde grond met dichte, fijne grassen, zeggen en biezen: de randen van zoet- en brakwatermoerassen, natte graslanden en de hogere delen van kwelders en zoutmoerassen, waar het waterpeil maar enkele centimeters bedraagt. Eet kleine insecten, spinnen, slakken en zaden. Het nest is een losse kom van gras, overdekt door de omringende vegetatie.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Zeldzame en zeer plaatselijke standvogel op Cuba, waar de meeste recente waarnemingen vandaan komen, en op Jamaica, waar de soort na de beschrijving nog maar weinig is vastgesteld. Van Hispaniola en Puerto Rico zijn slechts enkele, deels oude meldingen bekend. Op de Bahama's en de Kaaimaneilanden losse waarnemingen, mogelijk van wintergasten uit Noord-Amerika. Buiten het gebied plaatselijk in de Verenigde Staten, Mexico en Midden-Amerika, en in gescheiden populaties in Peru, Chili en Argentinië.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Vrijwel alleen op geluid te vinden, in windstille nachten in de broedtijd. Ook dan blijft de vogel bijna altijd in dekking; afspelen van geluid verstoort de soort en is bij zo'n bedreigde ral onwenselijk. Een kortstondige glimp van een kleine, zwarte vogel die als een muis tussen de grashalmen wegloopt, is vaak het hoogst haalbare.
Staat van instandhouding
Bedreigd (Endangered). De wereldpopulatie neemt af door het verlies van ondiepe moerassen en natte graslanden, door ontwatering en bebouwing, en langs de kust door zeespiegelstijging en stormvloeden die nesten wegspoelen. Over de Caribische populaties is zeer weinig bekend; gericht onderzoek ontbreekt grotendeels.
Wetenschappelijke naam
Laterallus jamaicensis | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Rallus jamaicensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Laterallus werd in 1855 ingevoerd door Gray. Laterallus is een samentrekking van Rallus lateralis, een oud synoniem van de roodflankral; Latijn lateralis 'van de zijkant' slaat op de gekleurde flanken. jamaicensis betekent 'van Jamaica', waar de soort werd beschreven. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Jamaica.


