Alle soorten › Zangvogels › Tangaren › Zwartborstgrondvink

Zwartborstgrondvink | Asemospiza fuliginosa

Sooty Grassquit | Semillero fuliginoso

De zwartborstgrondvink is een Zuid-Amerikaanse grondvink die in het Caribisch gebied alleen op Trinidad voorkomt. Anders dan de meeste grondvinken is het een vogel van bosranden en open plekken in bos, niet van open grasland. De soort trekt rond naar plekken waar bamboe zaad draagt of waar na brand nieuwe begroeiing opkomt, en is daardoor onvoorspelbaar.

Zwartborstgrondvink (Asemospiza fuliginosa)
Foto: Rosario Douglas — CC BY 4.0 · iNaturalist

Geluid

De zang is een eenvoudige, snelle reeks hoge tonen, ook beschreven als een dunne, ijle, gebonden frase met een zoemende klank. De roep is een kort tsjie.

Luister: ZangXC1101168

Opname: JAYRSON ARAUJO DE OLIVEIRA — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

10–11,5 cm, met een korte, kegelvormige donkere snavel. Het mannetje is geheel roetzwart, met een olijfkleurige zweem op de rug en iets lichtere onderdelen. Het vrouwtje is warm olijfbruin, donkerder op de bovendelen, met bruinachtige vleugels en een lichtere, olijfkleurige borst en buik; haar snavel is iets lichter. Jonge vogels lijken op het vrouwtje.

Verwarrings­soorten

Het mannetje van de jacarinagors Volatinia jacarina is glanzend blauwzwart, met een spitsere snavel, en springt in de balts zingend omhoog vanaf een uitkijkpost in open grasland; vrouwtjes daarvan zijn bruiner en gestreept op de borst. Het blauwgrijs dikbekje Sporophila intermedia is grijs, met een dikke, bolle, lichte snavel. Op Tobago en de eilandjes bij Trinidad heeft het mannetje van de maskergrondvink Melanospiza bicolor alleen een zwarte kop en borst, met een olijfgroene rug.

Leefgebied

Randen van vochtig bos, grazige open plekken in en bij bos, secundaire begroeiing en terrein dat na brand opnieuw begroeid raakt, op Trinidad van zeeniveau tot ongeveer 600 m. Het eet zaden, en is gespecialiseerd in zaaddragende bamboe; vermoedelijk wordt de broedtijd afgestemd op het aanbod van bamboezaad. Buiten de broedtijd soms in groepen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Op Trinidad een schaarse en plaatselijke standvogel, vooral in het noordelijk gebergte, bijvoorbeeld langs de Blanchisseuse Road en bij Morne Bleu en Brasso Seco, en plaatselijk in het midden en zuiden van het eiland. Op Tobago niet vastgesteld. In de regentijd trekken vogels naar hoger gelegen terrein; de meeste waarnemingen vallen van november tot april. Buiten het gebied verspreid en onderbroken in het noorden en oosten van Zuid-Amerika, van Colombia en Venezuela tot Guyana, Brazilië, Paraguay en het noorden van Argentinië.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Bosranden en open plekken langs de Blanchisseuse Road en de toegangsweg naar Morne Bleu in het noordelijk gebergte zijn de bekendste plekken. Zaaddragende bamboe en graspollen langs bospaden zijn het nalopen waard; vrouwtjes lijken sterk op andere grondvinken en dikbekjes.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort heeft een groot, maar sterk versnipperd verspreidingsgebied en is in veel gebieden schaars en onregelmatig aanwezig.

Wetenschappelijke naam

Asemospiza fuliginosa | (Wied-Neuwied, 1830)

Wied-Neuwied beschreef de soort in 1830 als Fringilla fuliginosa; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Asemospiza werd in 2016 ingevoerd door Burns, Unitt & Mason. Asemospiza is Grieks, van asēmos 'zonder tekening' en spiza 'vink', naar het effen, ongetekende verenkleed. fuliginosa is Latijn voor 'roetkleurig', naar het donkere, roetzwarte verenkleed van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Camamu, Bahia, Brazilië.