Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Witneklijster

Witneklijster | Turdus albicollis

White-necked Thrush | Zorzal cuelliblanco

De witneklijster is een schuwe lijster van het binnenste van vochtig bos, vaker gehoord dan gezien. Hij foerageert op de bosbodem en in de onderste laag, alleen, in paren of in kleine groepjes. De vogels van Trinidad en Tobago behoren tot de ondersoort phaeopygoides; de indeling van deze soort, die van Colombia tot Argentinië voorkomt, is nog niet afgerond.

Witneklijster (Turdus albicollis)
Foto: Daniel S. Katz — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een welluidende, wat trage zang van herhaalde frasen, vaak vanaf de vroege ochtend. De kenmerkende roep is een dalend toe-iejoe; verder korte roepjes als joep en een tokkend kloek.

Luister: ZangXC984951

Opname: João Capurucho — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

21–23 cm. Kop en bovendelen zijn donker olijfbruin, de kop wat grijzer. De keel is wit met dichte zwartachtige strepen en wordt aan de onderkant afgesloten door een witte halve kraag. De borst is grijs, de flanken grijsbruin tot oranjebruin, de buik en onderstaart wit. Kenmerkend is de geeloranje oogring; de snavel is geelachtig, de poten zijn roze-bruin. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels hebben lichte vlekjes boven en bruine bandering op de lichte onderdelen.

Verwarrings­soorten

De naaktooglijster Turdus nudigenis heeft een bredere, kale oogring, een egale grijsbruine borst en geen witte kraag, en leeft meer in de open. De cacaolijster Turdus fumigatus is overwegend roodbruin, zonder oogring en zonder witte kraag. Het vrouwtje van de geelpootlijster Turdus flavipes is warmer bruin, met gele poten en zonder witte kraag.

Leefgebied

Het binnenste van vochtig primair en ouder secundair bos met dichte, verwarde ondergroei, vooral in heuvelland en lagere hellingen, minder aan bosranden. Zoekt op de bosbodem tussen het strooisel naar insecten en andere ongewervelden en eet vruchten. Het nest is een stevige kom van modder, bladeren en twijgen met mos aan de buitenkant, 1 tot 9 m hoog.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Op Trinidad in de bossen van de Northern Range en elders in grotere boskernen; op Tobago in de bossen van de Main Ridge. Buiten het gebied in het noorden van Colombia en Venezuela, de Guyana's, het Amazonebekken en het oosten en zuidoosten van Brazilië tot Paraguay, Uruguay en het noordoosten van Argentinië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de vroege ochtend in het bos van de Northern Range op Trinidad of langs de bospaden van de Main Ridge op Tobago, luisterend naar de dalende roep. De vogels lopen vaak op het pad zelf, maar trekken zich bij de minste beweging terug in de ondergroei.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied. Op de eilanden is ze afhankelijk van aaneengesloten bos, dat plaatselijk verdwijnt door ontginning en bebouwing.

Wetenschappelijke naam

Turdus albicollis | Vieillot, 1818

Vieillot beschreef de soort in 1818 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Turdus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Turdus is het gewone Latijnse woord voor 'lijster'. albicollis is Latijn, van albus 'wit' en collum 'hals', naar de witte halsband onder de gestreepte keel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rio de Janeiro, Brazilië.