Alle soorten › Zangvogels › Spindalissen › Westelijke spindalis
Westelijke spindalis | Spindalis zena
Western Spindalis | Cabrero
De westelijke spindalis is de meest verspreide van de vier spindalissen, een kleine familie (Spindalidae) van vruchtenetende zangvogels die alleen in het Caribisch gebied voorkomt. De vier werden lang als één soort binnen de tangaren beschouwd; inmiddels gelden ze als aparte soorten in een eigen familie. Er worden vijf ondersoorten onderscheiden, verdeeld over de Bahama's, Cuba, Grand Cayman en Cozumel. Op Cuba heet de vogel cabrero.
Geluid
De zang is een hoge, dunne reeks, zoals zie-tit-zie, die soms overgaat in zoemender frasen. De roep is een dun sieiep of tsie.
Opname: FREDERIC Lionel — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
15–17 cm, met een korte, dikke, donkere snavel. Het mannetje heeft een zwarte kop met een witte wenkbrauwstreep en een witte baardstreep, een kleine gele kinvlek, en een oranjebruine keel, borst en nekband. De stuit is oranjegeel, de buik wit tot grijsachtig. De vleugels zijn zwart met witte randen en een witte vlek aan de basis van de handpennen; de staart is zwart met wit in de buitenste pennen. De rug is op Cuba en Grand Cayman olijfgroen, maar bij de vogels van de centrale en zuidelijke Bahama's zwart, met geheel zwarte vleugels en een smalle zwarte rand langs de borst. Het vrouwtje is olijfgrijs van boven en lichter grijsbruin van onder, met een zweem van oranje, twee vage lichte strepen in het gezicht en een kleine witte vleugelvlek.
Verwarringssoorten
Het mannetje is te herkennen aan zijn gestreepte kop en oranjebruine borst; troepialen zoals de baltimoretroepiaal Icterus galbula zijn ook oranje, maar hebben een spitse snavel en geen witte koptekening. Het vrouwtje lijkt op een vrouwtje zomertangare Piranga rubra, dat groter en egaler geel-olijf is, met een langere, lichte snavel en zonder gezichtsstrepen of witte vleugelvlek. Het bahamadikbekje Melopyrrha violacea is veel donkerder, met een zware snavel.
Leefgebied
Bos en bosranden van uiteenlopende typen: droog en halfgroen loofbos, pijnbos op de Bahama's, kustbos, struweel en mangrove, en ook tuinen en parken. Eet vooral bessen en vruchten, daarnaast bloemknoppen en enkele insecten. Leeft alleen, in paren of in kleine groepen, vaak bij vruchtdragende bomen. Het nest is een losse kom van gras en worteltjes in een struik of boom.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Standvogel op de Bahama's, Cuba met het Isla de la Juventud en de cayos, en Grand Cayman; ook gemeld van de Turks- en Caicoseilanden, waar de status onduidelijk is. Ontbreekt op Jamaica, Hispaniola en Puerto Rico, waar andere spindalissen leven. Buiten het gebied op Cozumel (Mexico); zeldzame gast in het zuiden van Florida, waar in 2009 een broedgeval werd vastgesteld.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op Cuba vrijwel overal waar bos staat, bijvoorbeeld in de Sierra del Rosario en op het schiereiland Zapata; op de Bahama's in pijnbos en kustbos. Vruchtdragende bomen en struiken zijn de beste plek. De dunne zang wordt vaak gemist; vaak valt de vogel pas op als hij van boom naar boom vliegt.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort is algemeen en komt ook in secundair bos, tuinen en parken voor.
Wetenschappelijke naam
Spindalis zena | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fringilla Zena; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Spindalis werd in 1837 ingevoerd door Jardine & Selby. Spindalis komt van het Griekse spindalos of pindalos, een onbekende Indiase vogel die verwant zou zijn aan de attagas (een hoen). zena komt van het Griekse zēna of zēnē, een soort vink, waarschijnlijk de putter. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit New Providence, Bahama's.






