Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Treurduif
Treurduif | Zenaida macroura
Mourning Dove | Paloma huilota
De treurduif is een slanke, zandkleurige duif met een lange, spitse staart, in Noord-Amerika een van de algemeenste vogels. In het Caribisch gebied is hij beperkt tot de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden en de Grote Antillen, waar hij vooral in open, droog en bebouwd land leeft. Op Cuba heet hij rabiche, naar de lange staart. Zijn klaaglijke roep heeft de soort haar naam gegeven.
Geluid
Een zacht, klaaglijk koeren dat ver draagt: oe-OE-oe, oe, oe, oe, met een stijgende tweede lettergreep en drie lage, gelijke tonen. Klinkt uit de verte bijna als een uil. Bij het opvliegen geven de vleugels een hoog, fluitend geluid.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
23–34 cm, de grote spreiding grotendeels door de lengte van de staart. Een slanke duif met een kleine kop en een lange, wigvormige staart met witte punten aan de buitenste veren. De bovendelen zijn grijsbruin tot zandkleurig, met enkele grote zwarte vlekken op de dekveren. De onderdelen zijn lichter, op de borst roze-beige. Onder het oog een kleine zwarte vlek; op de halszijden een paarsroze glans. De poten zijn rood, het oog donker met een smalle blauwe oogring. Het mannetje heeft een blauwgrijze kruin en een rozere borst, het vrouwtje is bruiner. De vleugels fluiten bij het opvliegen.
Verwarringssoorten
De Antilliaanse treurduif Zenaida aurita is gedrongener en warmer bruin, met een kortere, afgeronde staart en een smalle witte achterrand aan de armpennen. De witvleugeltreurduif Zenaida asiatica is forser, met een rechte staart en een brede witte vleugelband. De Turkse tortel Streptopelia decaocto is bleker en groter, met een zwarte halsband en een afgeronde staart. De kleine grondduiven, zoals de musduif Columbina passerina, hebben een korte staart en roodbruine vleugels in de vlucht.
Leefgebied
Open land: akkers, weiden en landbouwmozaïek, savanne, droog struweel en open bos, daarnaast wegbermen, tuinen en dorpsranden. Zoekt zaden op de grond, vaak in paren of kleine groepen, en drinkt geregeld; buiten het broedseizoen samen met andere duiven op akkers en bij water. Het nest is een dun takkenplatform in een boom, struik of palm, soms op de grond.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Algemeen op de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, Cuba met de Isla de la Juventud, Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek) en Puerto Rico; op Jamaica plaatselijker. Van de Kaaimaneilanden, de Maagdeneilanden en de Kleine Antillen zijn alleen enkele losse waarnemingen bekend. Daarbuiten van het zuiden van Canada over de Verenigde Staten en Mexico tot in Midden-Amerika; noordelijke vogels trekken in de winter naar het zuiden.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op Cuba en Hispaniola overal te zien op elektriciteitsdraden langs wegen door landbouwgebied, en op Puerto Rico in de droge zuidwestelijke kustvlakte. De vleugelfluit bij het opvliegen en de spitse staart met witte punten zijn in de vlucht de beste kenmerken.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en een van de talrijkste vogels van Noord-Amerika. In het Caribisch gebied algemeen op de Grote Antillen en de Bahama's en daar een belangrijke jachtvogel. De soort profiteert van het openmaken van het landschap voor landbouw en veeteelt.
Wetenschappelijke naam
Zenaida macroura | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Columba macroura; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Zenaida werd in 1838 ingevoerd door Bonaparte. Zenaida eert Zénaïde Bonaparte (1801–1854), de vrouw van de Franse ornitholoog Charles Lucien Bonaparte, die het geslacht in 1838 benoemde. macroura is Grieks, van makros 'lang' en oura 'staart', naar de lange, spitse staart. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit West-Indië (Linnaeus' 'Canada' is een vergissing).




