Alle soorten › Zangvogels › Ovenvogels en boomklimmers › Streepkopmuisspecht

Streepkopmuisspecht | Lepidocolaptes souleyetii

Streak-headed Woodcreeper | Trepatroncos corona rayada

De streepkopmuisspecht is een slanke, middelgrote muisspecht die op Trinidad vooral in het open, met bomen begroeide laagland leeft. Hij klimt met de stijve staart als steun spiraalsgewijs langs stammen en dikke takken omhoog en peutert met zijn dunne, gebogen snavel insecten uit schorsspleten en epifyten. In het gebied komt hij alleen op Trinidad voor.

Streepkopmuisspecht (Lepidocolaptes souleyetii)
Foto: Alejandro Bayer Tamayo from Armenia, Colombia — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een heldere, dalende triller van 1,5 tot 3 seconden, zacht en melodieus, trrrrrrrrr. Daarnaast een kortere, ratelende triller en een zacht, klagend roepje.

Luister: ZangXC955376

Opname: Paul Driver — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

19–21 cm, slank, met een lange, dunne en duidelijk gebogen snavel, die bleek hoornkleurig tot roze is. De kruin is donkerbruin met fijne lichte streepjes, het gezicht gestreept, met een vage lichte wenkbrauwstreep. De rug is warm bruin, vleugels en staart roodbruin. De keel is lichtbeige, de onderdelen olijfbruin met lichte, zwart omrande streepjes, het breedst op de borst. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De cocoamuisspecht Xiphorhynchus susurrans is groter en zwaarder en heeft een rechte, donkere snavel en een beige, gevlekte keel. De priemsnavelmuisspecht Dendroplex picus heeft een rechte, lichte, dolkvormige snavel, een witte keel en een witachtig gezicht, en leeft vooral in mangrove en open kustgebied. De grijze muisspecht Sittasomus griseicapillus is kleiner, ongestreept, met een grijze kop en een korte snavel. De grijswangmuisspecht Dendrocincla fuliginosa is egaal bruin met een rechte snavel.

Leefgebied

Halfopen landschap met bomen: droog en halfgroen bos, bosranden, tweede groei, kustbos, cacao- en andere plantages en tuinen met grote bomen, vooral in het laagland. Leeft alleen of in paren en sluit zich soms aan bij gemengde groepen. Eet insecten, spinnen en andere geleedpotigen die van schors, takken en epifyten worden gepikt. Het nest ligt in een boomholte of achter losse schors.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen op Trinidad, waar de soort vrij algemeen is in het laagland en de lagere hellingen; op Tobago ontbreekt ze. Buiten het gebied van het zuiden van Mexico via Midden-Amerika tot in het noorden van Zuid-Amerika: Colombia, Venezuela, de Guyana's, het westen van Ecuador, het noordwesten van Peru en het noorden van Brazilië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Te vinden in open terrein met verspreide grote bomen, cacaoplantages en bosranden op Trinidad. De dalende triller is het beste aanknopingspunt; daarna is de vogel te volgen terwijl hij in korte stukken langs een stam omhoogklimt en naar de voet van de volgende boom vliegt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort past zich goed aan halfopen, door de mens gevormd landschap aan, zoals plantages en erven met grote bomen.

Wetenschappelijke naam

Lepidocolaptes souleyetii | (des Murs, 1849)

Des Murs beschreef de soort in 1849 als Dendrocolaptes Souleyetii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Lepidocolaptes werd in 1853 ingevoerd door Reichenbach. Lepidocolaptes is Grieks, van lepis, lepidos 'schub' en kolaptēs 'beitelaar, specht', naar de geschubde tekening op kop en borst. souleyetii eert de Franse marinearts en zoöloog Louis François Auguste Souleyet (1811–1852), die op de reis van de Bonite verzamelde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Paita, Peru.