Alle soorten › Zangvogels › Kardinaalachtigen › Rode miertangare

Rode miertangare | Habia rubica

Red-crowned Ant Tanager | Tángara hormiguera corona roja

De rode miertangare is een donkerrode kardinaalachtige van de ondergroei van tropisch bos, verbreid van Mexico tot in het noorden van Argentinië. In het Caribisch gebied komt hij alleen op Trinidad voor. Paren en familiegroepen trekken luidruchtig door de lagere bosetages en volgen geregeld zwermen legermieren om de opgeschrikte insecten te vangen.

Rode miertangare (Habia rubica)
Foto: Hector Bottai — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luidruchtige soort. De roep is een raspend, krassend tsjak en een droge ratel, vaak gevolgd door een reeks heldere fluittonen, ongeveer pie-pie-pie. De zang bestaat uit korte, welluidende fluitfrasen en is vooral in de vroege ochtend te horen.

Luister: ZangXC1143059

Opname: Marcos E. Sosa — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

17–19 cm, met een vrij lange staart en een stevige, donkere snavel. Het mannetje is dof roodbruin, op keel en borst helderder rood, met een scharlakenrode kruinstreep die aan weerszijden smal zwart omzoomd is; bij opwinding wordt de kruinstreep opgezet. Het vrouwtje is olijfbruin met een okergele keel en een geelbruine kruinstreep. Jonge vogels zijn egaal bruiner, zonder duidelijke kruinstreep.

Verwarrings­soorten

Het vrouwtje van de zwarte tangare Tachyphonus rufus is egaal roestbruin zonder kruinstreep en leeft meer aan bosranden en in tuinen. De levertangare Piranga flava houdt zich op in de kruinen in de bergen en heeft grijze wangen en geen kruinstreep. Het mannetje van de fluweeltangare Ramphocelus carbo is donkerder fluweelachtig rood met een zilverwitte ondersnavel. De zomertangare Piranga rubra, op Trinidad een wintergast, heeft een lichte snavel en mist de kruinstreep.

Leefgebied

De onderste en middelste laag van vochtig loofbos, laaglandregenwoud en bergbos tot ongeveer 900 meter, ook oud secundair bos en cacaoplantages met schaduwbomen grenzend aan bos. Zoekt geleedpotigen tussen bladeren en takken en eet ook bessen; volgt legermieren en sluit zich soms aan bij gemengde foerageergroepen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Op Trinidad een vrij algemene standvogel in de bossen van de Northern Range en het Central Range-gebied; op Tobago en elders in het Caribisch gebied ontbreekt hij. Buiten het gebied van Mexico door Midden-Amerika tot in Colombia, Venezuela en de Guyana's en in het oosten van Zuid-Amerika tot Paraguay en het noorden van Argentinië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de bossen van de Northern Range, bijvoorbeeld langs paden in het Arima-dal, is de soort het beste te vinden op de raspende roep. Een zwerm legermieren aan de bosbodem is een goede plek om te wachten, omdat de vogels er vaak laag en van dichtbij foerageren.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied, maar is gevoelig voor ontbossing en verdwijnt uit sterk versnipperd bos.

Wetenschappelijke naam

Habia rubica | (Vieillot, 1817)

Vieillot beschreef de soort in 1817 als Staltator rubicus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Habia werd in 1840 ingevoerd door Blyth. Habia is een woord uit het Guaraní van Paraguay voor allerlei vinken en tangaren. rubica komt van het Middeleeuws-Latijnse rubicus 'roodachtig'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Paraguay.