Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Ringsnavelmeeuw

Ringsnavelmeeuw | Larus delawarensis

Ring-billed Gull | Gaviota de Delaware

De ringsnavelmeeuw is in Noord-Amerika de meest verbreide middelgrote meeuw en een van de meeuwen die het vaakst het Caribisch gebied bereiken. Het aantal wintergasten is sinds de tweede helft van de twintigste eeuw toegenomen, vooral op de Bahama's en Cuba. Ze zoekt graag het gezelschap van mensen op, in havens, op stranden en bij vuilnisbelten.

Ringsnavelmeeuw (Larus delawarensis)
Foto: RoySmith — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hoog, mauwend kie-ow en een reeks lachende kjah-kjah-kjah-roepen, hoger en minder vol dan bij de zilvermeeuw.

Luister: RoepXC1103911

Opname: Tom Cooney — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

43–54 cm, met een vrij ronde kop en een middelgrote, gele snavel met een duidelijke zwarte ring vlak achter de punt. Volwassen vogels hebben een lichtgrijze mantel, zwarte vleugelpunten met kleine witte spiegels, een licht oog met rode oogring en gele poten. In winterkleed is de kop fijn bruin gevlekt. Het volwassen kleed wordt in het derde jaar bereikt. Vogels in hun eerste winter hebben een lichtgrijze mantel, bruin gevlekte vleugeldekveren, een witte staart met een vrij smalle, onregelmatige zwarte eindband, roze poten en een roze snavel met zwarte punt. In het tweede jaar is de mantel volgrijs en de snavel geelgroen met een zwarte band.

Verwarrings­soorten

De Amerikaanse zilvermeeuw Larus smithsonianus is duidelijk groter, met een zwaardere snavel met een rode vlek in plaats van een ring, en roze poten; jonge zilvermeeuwen zijn veel donkerder bruin. De lachmeeuw Leucophaeus atricilla is kleiner en donkergrijs van boven, met donkere vleugelpunten zonder spiegels en donkere snavel en poten. De kleine mantelmeeuw Larus fuscus heeft een donkergrijze tot zwartgrijze mantel.

Leefgebied

Havens, stranden, getijdenvlakten, zoutpannen en lagunes, maar ook zoetwatervijvers, zuiveringsvijvers, vuilnisbelten, sportvelden en parkeerterreinen. Eet vis, ongewervelden, afval en wat zich bij mensen laat vinden. Rust vaak in groepjes op stranden en pieren, soms samen met lachmeeuwen en sterns.

Verspreiding en trek

Wintergast op de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, Cuba, de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola en Puerto Rico; het talrijkst op de Bahama's en Cuba, waar ze gallego real heet en vrij algemeen is, vooral langs de noordkust. Op de Maagdeneilanden en in de Kleine Antillen zeldzaam; op Barbados zeer schaars. Ook gemeld op Trinidad en Tobago. Buiten het gebied broedt de soort in het binnenland van Canada en het noorden van de Verenigde Staten en overwintert ze van het zuiden van Canada tot Mexico en Midden-Amerika.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het beste in havens, op pieren en bij visaanlandplaatsen langs de noordkust van Cuba en op de Bahama's, waar groepjes vaak dicht bij mensen rusten. Een volwassen vogel is aan de snavelring en de gele poten te herkennen; bij jonge vogels letten op de lichtgrijze mantel en de smalle staartband.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De Noord-Amerikaanse populatie is in de twintigste eeuw sterk gegroeid en profiteert van afval en door mensen gemaakte wateren.

Wetenschappelijke naam

Larus delawarensis | Ord, 1815

Ord beschreef de soort in 1815 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Larus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Larus is Latijn, ontleend aan het Griekse laros, en sloeg bij de klassieke schrijvers op een meeuw of een andere grote zeevogel. delawarensis verwijst naar de Delaware, de rivier in het oosten van Noord-Amerika. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Delaware bij Philadelphia.