Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Noordelijke struikvliegenpikker
Noordelijke struikvliegenpikker | Sublegatus arenarum
Northern Scrub Flycatcher | Mosquero matorralero norteño
De noordelijke struikvliegenpikker is een onopvallende, grijs met gele tiran van mangrove en droog struweel langs de kusten van het noorden van Zuid-Amerika en het zuiden van Midden-Amerika. In het Caribisch gebied leeft hij op Trinidad en de ABC-eilanden. Vroeger werd hij samen met twee Zuid-Amerikaanse verwanten als één soort beschouwd; genetisch onderzoek wijst erop dat het geslacht verwant is aan de elenia's.
Geluid
Vrij stil. De gewoonste roepen zijn een abrupt, opgaand pwieie of pie-jap, enkel of dubbel, en een kort gefloten fjoe-dit.
Opname: Gean Carlo Valdés — CC0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
13–15 cm. Kruin grijsbruin, soms als een kleine kuif opgezet. Een lichte wenkbrauwstreep en een donkere oogstreep geven het gezicht een gemaskerd uiterlijk. Rug grijsbruin; vleugels donker met lichte randen en twee vleugelstrepen. Keel witachtig, borst lichtgrijs, en de buik middelgeel, scherp afgegrensd tegen de borst. Staart donker met smalle lichte toppen. De snavel is kort en geheel zwart. De vogels van de ABC-eilanden zijn bleker en grijzer dan die van Trinidad.
Verwarringssoorten
De geelkeelvliegenpikker Camptostoma obsoletum is kleiner, met een opstaand kuifje, een snavel met lichte basis en een geleidelijke overgang naar de gele buik. De muisgrijze vliegenpikker Nesotriccus murinus is kleiner en valer, met een lichte ondersnavel en weinig geel. De witbuikelenia Elaenia martinica en andere elenia's hebben een langere snavel met lichte ondersnavelbasis, vaak een witte kruinvlek en geen scherpe grens tussen borst en buik. De cayennetiran Myiarchus tyrannulus is veel groter, met roestbruin in vleugels en staart.
Leefgebied
Mangrove, kuststruweel, doorn- en cactusstruweel, droog bos en secundaire begroeiing, van zeeniveau tot enkele honderden meters. Jaagt rustig vanaf een beschutte zitplaats in het struweel op insecten, die met korte uitvallen van bladeren worden gepakt; eet ook kleine bessen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Standvogel op Trinidad, vooral in de mangroven en het droge struweel langs de westkust en op de eilandjes in de Bocas, en op Aruba, Curaçao en Bonaire; niet op Tobago. Buiten het gebied van Costa Rica en Panama langs de kusten en in droge streken van Colombia, Venezuela en de Guyana's, en op de Venezolaanse eilanden voor de kust.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op de ABC-eilanden vrij algemeen in cactusstruweel en mangrove, maar door het rustige gedrag vaak over het hoofd gezien. Op Trinidad is de mangrove van de Caroni-moerassen een kansrijke plek. De scherp afgegrensde gele buik en het korte zwarte snaveltje zijn de sleutel tot de determinatie.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort heeft een groot verspreidingsgebied; plaatselijk verdwijnt leefgebied door het kappen van mangrove en de bebouwing van kuststroken.
Wetenschappelijke naam
Sublegatus arenarum | (Salvin, 1863)
Salvin beschreef de soort in 1863 als Elainea arenarum; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Sublegatus werd in 1868 ingevoerd door Sclater & Salvin. Sublegatus is Latijn sub 'nabij' plus het geslacht Legatus (piratentiran): 'verwant aan Legatus'. arenarum is Latijn voor 'van de zanden', naar de typelocatie Punta Arenas in Costa Rica. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Punta Arenas, Costa Rica.




