Alle soorten › Kolibries en gierzwaluwen › Kolibries › Muskietkolibrie

Muskietkolibrie | Chrysolampis mosquitus

Ruby-topaz Hummingbird | Colibrí rubí-topacio

De muskietkolibrie is een kleine kolibrie van droge, open landschappen, die in het gebied op de ABC-eilanden en op Trinidad en Tobago voorkomt. Het mannetje oogt in slecht licht donker, maar toont bij de juiste lichtval een vuurrode kruin en een goudoranje keel. De soort trekt binnen haar verspreidingsgebied en is op Trinidad en Tobago vooral in het droge seizoen aanwezig.

Muskietkolibrie (Chrysolampis mosquitus)
Foto: Darren Obbard — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal stil. De roep is een zacht, kort tsip. De zang, vaak vanaf een hoge zitplek, is een herhaald, dubbel tlie…tlie…tlie.

Luister: ZangXC1156741

Opname: Jacob Wijpkema — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

8–9,5 cm, met een korte, rechte zwarte snavel. Het mannetje is donkerbruin met een olijfgroene glans, heeft een glanzend robijnrode kruin en nek en een keel en borst die goudoranje of soms groen oplichten; de buik is bruin. De staart is kastanjebruin met zwarte punten. Het vrouwtje is van boven bronsgroen en van onderen lichtgrijs; de buitenste staartpennen zijn kastanjebruin met een donkere band en een witte punt, de middelste olijfgroen. Op Trinidad en Tobago hebben vrouwtjes soms een groenige streep op de keel. Jonge mannetjes lijken op het vrouwtje, met wisselend veel oranje op de keel.

Verwarrings­soorten

Een mannetje met goed licht is met geen andere kolibrie in het gebied te verwarren; in de schaduw lijkt het een kleine, donkere kolibrie met een roodbruine staart. Op de ABC-eilanden is de blauwstaartsmaragdkolibrie Chlorostilbon mellisugus de enige andere standvogel onder de kolibries; het vrouwtje daarvan heeft een donkere oorvlek met een witte streep erboven en een blauwzwarte staart zonder kastanjebruin. Het vrouwtje van de gekuifde koketkolibrie Lophornis ornatus op Trinidad heeft een roodbruin voorhoofd en een lichte band over de stuit. Mango’s, zoals de zwartkeelmango Anthracothorax nigricollis, zijn veel groter, met een gebogen snavel.

Leefgebied

Droge, open landschappen: cactus- en doornstruweel, droog bos en de randen daarvan, kuststruweel, savanne en struikbegroeide hellingen, en daarnaast tuinen, erven en fruitplantages. Vooral in het laagland. Zuigt nectar aan bloeiende struiken, bomen en cactussen; mannetjes verdedigen een voedselterrein. Vangt kleine insecten en spinnen in de vlucht en plukt ze van bladeren.

Verspreiding en trek

Op Aruba, Curaçao en Bonaire een jaarronde standvogel, op alle drie de eilanden verspreid en in tuinen en struweel vrij algemeen. Op Trinidad en Tobago algemeen van december tot juli, met de meeste waarnemingen van januari tot april; van augustus tot november grotendeels afwezig. Daarbuiten van het oosten van Panama door Colombia, Venezuela en de Guyana’s tot het oosten van Bolivia en Brazilië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op Tobago in het droge seizoen vaak aan bloeiende struiken en bij voerplaatsen langs de noordoostkust en bij Speyside; op Trinidad in tuinen en bij kolibrievoerplaatsen. Op de ABC-eilanden in tuinen en bij bloeiende struiken en cactussen. Een mannetje is het best te zien wanneer het zich met de zon in de rug omdraait: dan lichten kruin en keel kort op.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Wijdverbreid en in veel gebieden algemeen; de soort maakt goed gebruik van tuinen en andere door mensen gevormde terreinen.

Wetenschappelijke naam

Chrysolampis mosquitus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Trochilus Mosquitus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Chrysolampis werd in 1831 ingevoerd door Boie. Chrysolampis is Grieks, van khrusos 'goud' en lampis 'lamp, fakkel', naar de vurig glanzende keel en kruin. mosquitus is Latijnse vorm van Spaans mosquito 'vliegje', naar de geringe grootte van de vogel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Suriname (vervangen voor het foutieve 'Indië').