Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Kuiforopendola

Kuiforopendola | Psarocolius decumanus

Crested Oropendola | Oropéndola crestada

De kuiforopendola is een grote, zwarte troepiaal met een gele staart en een ivoorkleurige snavel, die in kolonies broedt in lange, hangende nesten. In het Caribisch gebied komt hij alleen op Trinidad en Tobago voor, waar hij algemeen is en in de volksmond cornbird heet. De mannetjes zijn veel groter dan de vrouwtjes.

Kuiforopendola (Psarocolius decumanus)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje laat bij de baltsbuiging, waarbij het voorover kantelt met opgeheven staart en klapperende vleugels, een vloeiende, borrelende reeks klanken horen die eindigt in een luide, explosieve slotnoot. De roep is een harde tsjak. Ook de vleugels maken in vlucht een hoorbaar ruisend geluid.

Luister: ZangXC1083444

Opname: JAYRSON ARAUJO DE OLIVEIRA — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Mannetje ongeveer 47 cm, vrouwtje ongeveer 37 cm. Het verenkleed is glanzend zwart, met een kastanjebruine stuit en onderstaart. De middelste staartpennen zijn zwart, de overige helder geel, zodat de staart in vlucht en van onderen grotendeels geel is. De snavel is lang, spits en ivoorwit tot lichtgeel, met een verbrede basis die als een schild op het voorhoofd doorloopt. Het oog is lichtblauw. Het mannetje heeft een smalle kuif van enkele lange veren op de achterkop, die vaak nauwelijks te zien is. Het vrouwtje is kleiner en doffer, bruinzwart, met een kleine kuif. Jonge vogels zijn nog doffer, met een bruinig oog en een donkerder snavel.

Verwarrings­soorten

De geelstuitbuidelspreeuw Cacicus cela is veel kleiner, met een gele stuit, een gele vlek op de vleugel en een gele staartbasis met een zwart staarteind. De grote koevogel Molothrus oryzivorus, die vaak bij oropendolakolonies zit, is geheel zwart met een zwarte snavel en een zwarte staart. De Caribische troepiaal Quiscalus lugubris is kleiner, met een zwarte snavel en een geel oog.

Leefgebied

Bosranden, open en secundair bos, open plekken met hoge, vrijstaande bomen, cacao- en koffieplantages, tuinen en dorpen, van het laagland tot in het heuvelland. Eet vruchten, nectar en insecten, vaak in groepen in de kroon. De kolonies, op Trinidad tot zo'n 40 nesten, hangen in hoge, vrijstaande bomen, vaak boven een open plek of weg; de nesten zijn lange, geweven buidels die aan het uiteinde van takken hangen.

Verspreiding en trek

Standvogel op Trinidad en Tobago, inclusief Little Tobago, en algemeen in bosrijke en halfopen streken, vooral in de Northern Range op Trinidad en het bos van de Main Ridge op Tobago. Elders in het gebied hooguit een zeer zeldzame dwaalgast. Buiten het gebied van Costa Rica en Panama door vrijwel heel tropisch Zuid-Amerika tot het noorden van Argentinië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De kolonie bij het Asa Wright Nature Centre in de Arima-vallei is een bekende plek om de balts van dichtbij te zien; op Tobago zijn de vogels algemeen langs de wegen door het bos van de Main Ridge. Kolonies zijn van ver te herkennen aan de hangende nesten en het voortdurende komen en gaan.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is wijdverbreid en algemeen en past zich goed aan bosranden, plantages en tuinen aan. De grote koevogel parasiteert op de nesten.

Wetenschappelijke naam

Psarocolius decumanus | (Pallas, 1769)

Pallas beschreef de soort in 1769 als Xanthornus decumanus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Psarocolius werd in 1827 ingevoerd door Wagler. Psarocolius is Grieks, van psar 'spreeuw' en koloios 'kauw', voor deze grote, spreeuwachtige vogels. decumanus is Latijn voor 'groot, enorm' (letterlijk 'van de tiende', zoals de grootste golf), naar de forse bouw. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Suriname.