Alle soorten › Ooievaarachtigen › Ooievaars › Kaalkopooievaar

Kaalkopooievaar | Mycteria americana

Wood Stork | Cigüeña americana

De kaalkopooievaar is de enige ooievaar van het Caribisch gebied: een grote, witte moerasvogel met een kale, grijze kop en een zware, licht gebogen snavel. Hij zoekt voedsel op de tast, met de half geopende snavel in ondiep water, en is daardoor afhankelijk van plassen die opdrogen en waarin vis zich concentreert. In het gebied broedt hij alleen op Cuba; op Hispaniola, waar hij vroeger voorkwam, is hij verdwenen.

Kaalkopooievaar (Mycteria americana)
Foto: Johnathan Nightingale — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Volwassen vogels zijn vrijwel stil; in de kolonie snavelklepperen en sissen ze. Jongen op het nest laten een aanhoudend, luid bedelend nyah-nyah horen.

Luister: BedelroepXC1043547

Opname: Sue Riffe — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

83–115 cm, met lange poten en een spanwijdte van rond anderhalve meter. Het verenkleed is wit, met zwarte slagpennen en een zwarte staart, die in vlucht een brede zwarte achterrand aan de vleugel vormen. Kop en bovenhals zijn kaal, grijs en geschubd van structuur; de snavel is dik aan de basis, donker hoornkleurig en naar de punt licht omlaag gebogen. De poten zijn zwart met roze voeten. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels hebben een bruingrijs, deels bevederde hals en kop en een gele snavel. Vliegt met gestrekte hals en uitgestoken poten, vaak hoog zwevend op thermiek, soms in groepen.

Verwarrings­soorten

De witte ibis Eudocimus albus is veel kleiner, met een rode, sterker gebogen snavel en alleen zwarte vleugelpunten. De grote zilverreiger Ardea alba is geheel wit, zonder zwart in vleugel of staart, met een gele, rechte snavel, en vliegt met ingetrokken hals. De Amerikaanse witte pelikaan Pelecanus erythrorhynchos heeft eveneens zwarte slagpennen, maar is zwaarder, met korte poten en een lange, platte snavel. Hoog zwevend kan de ooievaar op een gier lijken, maar het wit van lichaam en vleugelvoorrand is beslissend.

Leefgebied

Zoetwater- en brakke moerassen, overstroomde savannes, ondiepe lagunes, mangrove, rijstvelden en de randen van meren. Foerageert waar ondiep water vis bevat, vaak in groepjes, lopend met de snavel in het water en soms roerend met een voet. Broedt in kolonies in bomen in of bij water, in Cuba onder meer in mangrove.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Op Cuba plaatselijk vrij algemeen, met broedkolonies in de Ciénaga de Zapata en in de archipel Sabana-Camagüey; buiten de broedtijd ook elders op het eiland. Vroeger ook op Hispaniola, waar de soort nu als broedvogel ontbreekt; in de Dominicaanse Republiek zeldzame waarnemingen. Op Trinidad een onregelmatige bezoeker uit Zuid-Amerika, vooral in de moerassen van de westkust. Dwaalgast op de Bahama's, Jamaica, Puerto Rico, Guadeloupe, Aruba en de Turks- en Caicoseilanden. Buiten het gebied van het zuidoosten van de Verenigde Staten door Mexico en Midden-Amerika tot in Argentinië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De Ciénaga de Zapata en de lagunes langs de noordkust van centraal Cuba zijn de plekken in het gebied. Groepen zijn het best te zien in de droge tijd, wanneer de vogels zich verzamelen bij slinkende plassen; in de middag zweven ze vaak hoog op thermiek.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De Cubaanse populatie is klein en afhankelijk van enkele broedgebieden. Bedreigingen zijn het droogleggen van moerassen, veranderingen in de waterhuishouding die het opdrogen van plassen verstoren, en verstoring van kolonies. In Cuba heet de soort cayama.

Wetenschappelijke naam

Mycteria americana | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Mycteria voerde hij in datzelfde werk in. Mycteria komt van het Griekse muktēr, 'snuit, neus' — naar de grote, zware snavel. americana betekent 'Amerikaans'; Linnaeus beschreef de soort naar Marcgraves beschrijving uit Brazilië. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Brazilië.