Alle soorten › Zangvogels › Tangaren › Jamaicagrondvink

Jamaicagrondvink | Loxipasser anoxanthus

Yellow-shouldered Grassquit | Semillero jamaicano

De jamaicagrondvink is een gedrongen, dikkoppig grondvinkje dat alleen op Jamaica voorkomt. Het is de enige soort in het geslacht Loxipasser. Anders dan de meeste grondvinken is het eerder een vogel van bosranden en heuvelland dan van open grasland. Meestal zijn paartjes of familiegroepjes te zien, laag in struiken en bomen.

Jamaicagrondvink (Loxipasser anoxanthus)
Foto: dbeeke — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

De zang is een reeks van vier of vijf hoge, zoemende tonen die stijgen of dalen, gevolgd door één tot drie tonen op een andere hoogte. Daarnaast een dalend tsji-tsji-tsji-tsji-tsji. Van de zang zijn verschillende plaatselijke dialecten beschreven.

Luister: ZangXC713807

Opname: Bobby Wilcox — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

10–11,5 cm, met een grote kop, een korte staart en een dikke snavel met gebogen bovenrand. Het mannetje heeft een geheel zwarte kop en borst, een donkergrijze buik en flanken en roestbruine onderstaartdekveren. De bovendelen zijn olijfgroen, de kleine vleugeldekveren en de schouder helder geel. Het vrouwtje is olijfgrijs op kop en borst en grijs op de buik, met een gele vlek bij de vleugelbocht, lichter roestkleurige onderstaartdekveren en een hoornkleurige snavel. Jonge vogels lijken op het vrouwtje, met minder geel op de vleugel.

Verwarrings­soorten

De maskergrondvink Melanospiza bicolor heeft een slankere snavel, een doffere rug en geen geel op de vleugel; bij het mannetje beperkt het zwart zich tot gezicht en borst. Het mannetje van de grote cubavink Tiaris olivaceus heeft een geel gezichtsmasker en geen gele schouder. De gele schouder en de roestkleurige onderstaart zijn bij beide seksen kenmerkend, maar niet altijd goed te zien.

Leefgebied

Randen van vochtig bos en bergbos, open bos, kalksteenbos, ruigten langs wegen en tuinen dicht bij bos, van zeeniveau tot ongeveer 1800 m, maar vooral in het heuvel- en bergland. Het eet zaden en kleine vruchten, en vermoedelijk ook insecten. Het vrouwtje bouwt een goed verborgen koepelnest van gras en twijgjes met een ingang aan de zijkant, vaak tussen epifyten of bromelia's. Het broedseizoen loopt van ongeveer maart tot september; het legsel telt meestal drie of vier eieren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Alleen op Jamaica, verspreid over het heuvel- en bergland van het hele eiland; in het laagland schaarser. Buiten Jamaica komt de soort niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Bosranden en wegen door het heuvelland zijn de beste plekken, bijvoorbeeld in de Blue Mountains en langs de Ecclesdown Road in Portland. Paartjes zitten vaak laag in ruigte en bosrand; de gele schouder valt het meest op wanneer een vogel opvliegt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Binnen het kleine verspreidingsgebied is de soort vrij algemeen. Vermoed wordt dat de populatie afneemt door het verdwijnen van bos.

Wetenschappelijke naam

Loxipasser anoxanthus | (Gosse, 1847)

Gosse beschreef de soort in 1847 als Spermophila anoxantha; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Loxipasser werd in 1866 ingevoerd door Bryant. Loxipasser combineert Loxia, het geslacht van de kruisbekken, met Passer, dat van de mussen. anoxanthus is Grieks, van anō 'boven' en xanthos 'geel', naar de gele schouders en mantel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Mount Edgecumbe, Jamaica.