Alle soorten › Zangvogels › Kardinaalachtigen › Indigogors
Indigogors | Passerina cyanea
Indigo Bunting | Azulillo índigo
De indigogors is een kleine kardinaalachtige die broedt langs bosranden en in ruige terreinen in het oosten van Noord-Amerika. Een groot deel van de populatie overwintert in Midden-Amerika, maar in het westelijk deel van het Caribisch gebied is hij in de winter een van de algemeenste trekvogels van het open land. Op Cuba heet hij azulejo. In 2012 werd op Cuba voor het eerst een waarschijnlijk broedgeval in West-Indië vastgesteld.
Geluid
De roep is een scherp, droog spit; in vlucht een hoog, zoemend zieep. De zang bestaat uit gepaarde, hoge tonen, ongeveer swiet-swiet tsjoe-tsjoe swiet-swiet, en is in het voorjaar soms al voor het vertrek te horen.
Opname: Rory Nefdt — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
11,5–13 cm, met een korte, kegelvormige snavel. Het mannetje in broedkleed is geheel diep indigoblauw, op de kop iets donkerder, met zwartige vleugelpennen en staart. In de winter is het mannetje grotendeels bruin met verspreide blauwe veren, vooral op vleugels, staart en stuit; in het voorjaar kleurt het geleidelijk blauw. Het vrouwtje is egaal warmbruin met een lichtere keel, vage strepen op de borst, onduidelijke vleugelstrepen en vaak een blauwe zweem op staart en schouder. Jonge vogels lijken op het vrouwtje en zijn iets duidelijker gestreept.
Verwarringssoorten
De blauwe bisschop Passerina caerulea is groter, met een veel zwaardere snavel en twee brede kaneelbruine vleugelstrepen, ook bij vrouwtjes. Het mannetje van de jacarinagors Volatinia jacarina is glanzend blauwzwart, niet helder blauw, met een spitsere snavel. Het vrouwtje van de purpergors Passerina ciris is groen, niet bruin. Vrouwtjes van de grote cubavink Tiaris olivaceus zijn olijfkleurig zonder borststrepen.
Leefgebied
Open en halfopen terrein met gras en struiken: savannen, weilanden, ruige akkerranden, suikerrietvelden, wegbermen, kuststruweel en randen van droog bos, ook grote tuinen. Eet in de winter vooral graszaden, vaak in groepen die laag in het gras foerageren en bij verstoring samen opvliegen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Een algemene wintergast op de Bahama's, Cuba, de Kaaimaneilanden en Jamaica en een geregelde gast op San Andrés en de Turks- en Caicoseilanden. Minder talrijk op Hispaniola, schaars tot zeldzaam op Puerto Rico en de Maagdeneilanden, en in de Kleine Antillen, op de ABC-eilanden en op Trinidad en Tobago een zeldzame gast of dwaalgast. Broedt van het zuidoosten van Canada tot het zuiden en zuidwesten van de Verenigde Staten; overwintert van Zuid-Florida en Mexico door Midden-Amerika tot het noorden van Zuid-Amerika en in West-Indië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de winter in vrijwel elk ruig grasland met zaaddragende grassen op Cuba en Jamaica, vaak samen met grondvinken. De beste momenten zijn de vroege ochtend en eind maart–april, wanneer de mannetjes blauw kleuren en soms zingen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort profiteert in het broedgebied van bosranden en verstoorde terreinen. Op Cuba wordt hij gevangen voor de kooivogelhandel.
Wetenschappelijke naam
Passerina cyanea | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Tanagra cyanea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Passerina werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Passerina komt van het Latijnse passerinus 'musachtig', bij passer 'mus'. cyanea is Latijn voor 'blauw', naar het diepblauwe broedkleed van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit South Carolina.





