Alle soorten › Trogonachtigen › Trogons › Hispaniolatrogon

Hispaniolatrogon | Priotelus roseigaster

Hispaniolan Trogon | Trogón de La Española

De Hispaniolatrogon komt alleen op Hispaniola voor en is daar vooral een vogel van de bergbossen. In de Dominicaanse Republiek heet hij papagayo, naar het groen en rood van zijn kleed. Net als de verwante Cubaanse trogon zit hij lang rechtop en roerloos in het middenstuk van het bos, vaak in paren, en verraadt hij zich vooral door zijn roep.

Hispaniolatrogon (Priotelus roseigaster)
Foto: Jon Erickson — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Een herhaald, koerend toca-loro of coc-ca-rao, dat aan een kraaiende haan doet denken; de tweede toon is langer en uitlopend. Daarnaast een laag ratelend geluid. De roep draagt ver en klinkt buikspreekachtig. Hij roept vooral 's ochtends in het broedseizoen.

Luister: ZangXC819152

Opname: Johan Chaves — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

27–30 cm, met een lange, getrapte staart. Kop, rug en bovenvleugeldekveren zijn metaalglanzend groen met een blauwe of bronzen weerschijn. Keel en borst zijn grijs, de buik helder rood. De korte, dikke snavel is geel, het oog oranje. Bij het mannetje dragen de vleugeldekveren en armpennen smalle witte dwarsbandjes; de bovenkant van de staart is blauwgroen, de onderkant donker met brede witte veerpunten. Het vrouwtje lijkt op het mannetje, maar mist de witte bandjes op de vleugel en heeft een bleker rode buik.

Verwarrings­soorten

Op Hispaniola komt geen andere trogon voor, en de combinatie van groene bovendelen, grijze borst en rode buik is er uniek. Het naaste familielid, de Cubaanse trogon Priotelus temnurus, leeft alleen op Cuba en heeft een witte keel en borst en een blauwe kruin. De Hispaniola-amazone Amazona ventralis is een groene papegaai met een witte voorkop, een kromme snavel en een korte staart.

Leefgebied

Vochtig bergbos, nevelwoud en pijnbos, plaatselijk ook halfgroen loofbos en aangetast bos; vooral van ongeveer 500 tot 3000 m, met enige trek naar lagere hoogten buiten het broedseizoen, en minder vaak in laaglandbos en mangrove. Eet vooral insecten, daarnaast vruchten en kleine hagedissen zoals anolissen, die hij in een korte uitval van blad of tak pakt. Broedt van maart tot juli in een boomholte, vaak een oud hol van de Hispaniolaspecht.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Alleen op Hispaniola. In de Dominicaanse Republiek in de Cordillera Central, de Cordillera Septentrional, de Sierra de Neiba en de Sierra de Bahoruco. In Haïti is de soort door ontbossing grotendeels teruggedrongen tot het Massif de la Hotte en het Massif de la Selle. Buiten Hispaniola komt hij niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de Dominicaanse Republiek het best in de Sierra de Bahoruco en de Cordillera Central, in Haïti rond de Pic Macaya. De roep is in de vroege ochtend het snelste spoor; de vogel zit dan vaak stil op middelhoogte en valt pas op bij een korte vlucht of wanneer hij de rode buik toont.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd volgens de huidige beoordeling, maar de aantallen nemen af door kap en versnippering van het bos. In de Dominicaanse Republiek is de soort in de grotere bergbossen nog vrij algemeen; in Haïti is hij schaars en beperkt tot de laatste grote bosgebieden.

Wetenschappelijke naam

Priotelus roseigaster | (Vieillot, 1817)

Vieillot beschreef de soort in 1817 als Trogon roseigaster; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Priotelus werd in 1840 ingevoerd door Gray. Priotelus is Grieks, van priōn 'zaag' en telos 'voltooiing'; de 'zaag' slaat vermoedelijk op de getande uiteinden van de staartpennen, de bedoeling van het tweede deel is onduidelijk. roseigaster is Latijn-Grieks, van roseus 'rozerood' en gaster 'buik', naar de roze-rode buik. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Santo Domingo (Hispaniola); 'Mexico' was een vergissing.