Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Hispaniolalijster
Hispaniolalijster | Turdus swalesi
La Selle Thrush | Zorzal de La Selle
De Hispaniolalijster is een grote, donkere lijster van de bergbossen van Hispaniola. Hij leeft verborgen in de ondergroei en is vooral in de schemering te horen en te zien, wanneer hij zingt of op paden en open plekken naar voedsel zoekt. De soort is pas in 1930 beschreven, naar vogels van de Morne La Selle in Haïti, waaraan de Engelse en Spaanse naam ontleend zijn.
Geluid
De zang bestaat uit traag herhaalde, lage frasen als tu-re-oo en cho-ho-cho, die lang worden volgehouden, vooral bij dageraad en schemering. Daarnaast een luid wheury-wheury-wheury en gorgelende tonen.
Opname: Ross Gallardy — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
26–27 cm, een forse Turdus met vrij lange staart. Kop, bovendelen, vleugels, staart en bovenborst zijn leikleurig zwart; keel en oorstreek hebben witte streepjes. De onderborst en de zijden zijn diep roestrood, de buikmidden en onderstaartdekveren wit. Kenmerkend zijn de geeloranje oogring en de geeloranje snavel met donkere basis; de iris is donker, de poten zijn donkergrijs. De seksen zijn gelijk. Vogels van de Sierra de Neiba en de Cordillera Central (ondersoort dodae) hebben een olijfbruin getinte rug.
Verwarringssoorten
De oostelijke roodpootlijster Turdus ardosiaceus, op Hispaniola veel algemener en ook lager te vinden, is leigrijs met een zwart-wit gestreepte keel, rode poten, een rode oogring en witte staartpunten, en heeft geen roestrode onderdelen. De roodborstlijster Turdus migratorius is een zeldzame gast met grijsbruine bovendelen, een geheel oranjerode borst en een witte onderstaart. De roodkeelsolitaire Myadestes genibarbis is kleiner en slanker, met een rode keel en een korte snavel.
Leefgebied
De ondergroei van natte, altijdgroene loofbossen in de bergen en van pijnbossen met een dichte struiklaag, meestal tussen 1300 en 2100 m. Foerageert op de grond op regenwormen, insecten en andere ongewervelden, en eet ook vruchten. Komt bij weinig licht ook op paden en bosranden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Alleen op Hispaniola. De nominaatvorm leeft in het Massif de la Selle in het zuidoosten van Haïti en in de aansluitende Sierra de Bahoruco in het zuidwesten van de Dominicaanse Republiek; de ondersoort dodae in de Sierra de Neiba en de Cordillera Central in de Dominicaanse Republiek. Het leefgebied bestaat uit gescheiden bergmassieven; in Haïti is de soort plaatselijk vrij algemeen, in de Dominicaanse Republiek zeldzaam en lokaal.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De hoge delen van de Sierra de Bahoruco, rond Zapotén aan de Haïtiaanse grens, zijn de bekendste plek. Het beste in het eerste en laatste licht, wanneer de vogels zingen en op de bosweg foerageren; overdag blijven ze vrijwel onzichtbaar in de ondergroei.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar. De wereldpopulatie wordt geschat op enkele honderden tot enkele duizenden volwassen vogels en neemt af. Het bergbos van Hispaniola is sterk gekrompen door ontbossing voor landbouw, houtskool en hout, en ook in beschermde gebieden als de Sierra de Bahoruco vindt illegale kap plaats.
Wetenschappelijke naam
Turdus swalesi | (Wetmore, 1927)
Wetmore beschreef de soort in 1927 als Haplocichla swalesi; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Turdus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Turdus is het gewone Latijnse woord voor 'lijster'. swalesi eert de Amerikaanse ornitholoog Bradshaw Hall Swales (1875–1928), ere-conservator bij het Smithsonian in Washington. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Massif de la Selle, Haïti (± 1800 m).


