Alle soorten › Zangvogels › Tangaren › Grenadatangare
Grenadatangare | Stilpnia cucullata
Lesser Antillean Tanager | Tangara de Granada
De grenadatangare is de enige tangare uit het geslacht Stilpnia in de Kleine Antillen en komt alleen voor op Grenada en Sint-Vincent. De vogels van de twee eilanden behoren tot aparte ondersoorten en worden door sommige auteurs, waaronder BirdLife, als twee soorten behandeld: de grenadatangare in engere zin en de sint-vincenttangare. Ze leven in paren of familiegroepjes en zijn ook in tuinen en plantages te vinden.
Geluid
Roepen zijn dunne, hoge tsip-tonen. De zang is een korte reeks hoge, wat piepende tonen.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.
Herkenning
14–15 cm, met een korte, spitse snavel. Het mannetje heeft een kastanjebruine kap over kruin en oorstreek, op Grenada donkerbruin, op Sint-Vincent roodachtiger bruin. De bovendelen zijn goudachtig geelbruin tot oranjegeel, soms met een groene glans; vleugels en staart zijn zwartachtig met blauwgroene randen. De onderdelen zijn grijsgroen tot lila-geelbruin, met donkere vlekjes op de keel, de onderstaartdekveren okerbruin. Het vrouwtje is doffer en groener. Jonge vogels zijn doffer, met een onduidelijke kap.
Verwarringssoorten
Op Grenada en Sint-Vincent is geen andere tangare van deze bouw. Het vrouwtje van het antillendikbekje Loxigilla noctis is olijfbruin en heeft een veel zwaardere, kegelvormige snavel. De Kleine-Antillenorganist Chlorophonia flavifrons is kleiner en gedrongener, groen met een geel voorhoofd en, bij het mannetje, een blauwe kruin. Het suikerdiefje Coereba flaveola is kleiner, met een gebogen snavel en een witte wenkbrauwstreep.
Leefgebied
Regenwoud en vochtig bos in de bergen, waar de soort het talrijkst is, maar ook droog bos, secundair bos, bosranden, struikgewas, plantages en tuinen, van zeeniveau tot ongeveer 850 m. Eet vooral vruchten en verzamelt zich bij vruchtdragende bomen; zoekt daarnaast insecten. Broedt van april tot juli; het nest is een kom van dode bladeren, enkele meters hoog in een boom of struik, vaak in de buurt van gebouwen. Het legsel bestaat uit twee eieren.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Alleen op Grenada (ondersoort cucullata) en Sint-Vincent (ondersoort versicolor). Op beide eilanden vrij algemeen tot schaars, het meest in de beboste bergen. Uit de Grenadines is de soort niet als broedvogel bekend. Losse meldingen van Antigua en Saint Lucia zijn niet bevestigd. Buiten deze twee eilanden komt de soort niet voor.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op Grenada zijn het Grand Etang-gebied en tuinen met vruchtbomen in de heuvels kansrijk, op Sint-Vincent de bossen van de Vermont Nature Trail en de botanische tuin van Kingstown. Vruchtdragende bomen trekken familiegroepjes aan.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Het verspreidingsgebied is zeer klein, maar de soort is er plaatselijk vrij algemeen en past zich goed aan door de mens veranderd landschap aan. Orkanen en, op Sint-Vincent, vulkaanuitbarstingen kunnen het bos tijdelijk sterk aantasten.
Wetenschappelijke naam
Stilpnia cucullata | (Swainson, 1834)
Swainson beschreef de soort in 1834 als A[glaia] Cucullata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Stilpnia werd in 2016 ingevoerd door Burns, Unitt & Mason. Stilpnia komt van Grieks stilpnos 'glinsterend, glanzend', naar het glanzende verenkleed. cucullata is Latijn voor 'met een kap', naar de roodbruine kap op de kop. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Grenada (later aangewezen; oorspronkelijk geen vindplaats).




