Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Gele troepiaal

Gele troepiaal | Icterus nigrogularis

Yellow Oriole | Turpial amarillo

De gele troepiaal is een troepiaal van de droge kuststreken van het noorden van Zuid-Amerika. In het Caribisch gebied leeft hij op de ABC-eilanden en op Trinidad, waar hij in tuinen, cactusstruweel en mangroverand voorkomt. Hij bouwt een lange, hangende nestbuidel, die op de eilanden vaak aan palmbladeren of elektriciteitsdraden hangt.

Gele troepiaal (Icterus nigrogularis)
Foto: Stanley Tempro — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een losse reeks korte, fluitende frasen met een melodieus karakter, met lange pauzes; bij zonsopgang worden er ook schorre en hoge tonen tussen gevoegd. De roep is een scherp, herhaald ka-tsjek.

Luister: ZangXC573573

Opname: Juan Pablo Arboleda — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

20–21 cm, een middelgrote troepiaal met een spitse, iets gebogen snavel. Grotendeels helder geel; teugel, smal masker rond het oog en een bef van kin tot bovenborst zijn zwart. De vleugels zijn zwart met gele kleine dekveren, wit gerande slagpennen en een witte vlek op de gesloten vleugel; de staart is zwart. Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje, maar heeft een groenige waas op de rug. Jonge vogels zijn olijfgeel, missen de zwarte bef aanvankelijk en hebben bruinere vleugels. De vogels op Curaçao, Aruba en Bonaire (ondersoort curasoensis) zijn bleker en hebben meer wit in de vleugel; die op Trinidad (trinitatis) zijn feller, met weinig wit.

Verwarrings­soorten

De troepiaal Icterus icterus, op de ABC-eilanden algemeen, is groter en oranje met een geheel zwarte kop en borst, een grote witte vleugelvlek en blauwe naakte huid rond een geel oog. De Baltimoretroepiaal Icterus galbula, een zeldzame gast, heeft geen zwarte bef: het mannetje heeft een zwarte kop, het vrouwtje een oranjegele borst en twee witte vleugelstrepen. Jonge mannetjes van de tuintroepiaal Icterus spurius hebben ook een zwarte keel, maar zijn kleiner en groenachtig geel met een dunnere snavel.

Leefgebied

Halfopen en droog terrein: doornstruweel met zuilcactussen, droog loofbos, kustbos, de randen van mangrove, fruitbomen, tuinen en dorpen. Dicht vochtig bos wordt gemeden. Hij eet insecten, spinnen, vruchten en nectar, en zoekt zijn voedsel in boomkruinen en struiken. Het nest is een tot ruim een halve meter lange buidel van plantenvezels, soms met plastic of touw, hoog aan een tak, palmblad of draad, vaak boven water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Standvogel op Aruba, Bonaire en Curaçao, waar hij op alle drie eilanden algemeen is. Op Trinidad en het eilandje Monos plaatselijk; op Tobago ontbreekt hij. Als dwaalgast gemeld van Grenada. Buiten het gebied in het noorden van Colombia en Venezuela, de Guyana's en het uiterste noorden van Brazilië, en op Margarita en omliggende Venezolaanse eilanden.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op Curaçao en Bonaire is hij in vrijwel elke tuin met bloeiende of vruchtdragende bomen te vinden, en zijn hangende nesten aan palmbladeren of draden verraden zijn aanwezigheid ook buiten het broedseizoen. Op Trinidad het meest kansrijk in droger, halfopen terrein en langs mangroverand.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort past zich goed aan tuinen en andere door de mens gevormde omgeving aan. Plaatselijk worden vogels gevangen voor de kooivogelhandel.

Wetenschappelijke naam

Icterus nigrogularis | (Hahn, 1819)

Hahn beschreef de soort in 1819 als Xanthornus nigrogularis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Icterus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Icterus komt van het Griekse ikteros, een gele vogel — doorgaans opgevat als de wielewaal — waarvan de aanblik geelzucht zou genezen. nigrogularis is Latijn, van niger 'zwart' en gula 'keel', naar de zwarte keel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Brazilië.