Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Geelkeelvliegenpikker

Geelkeelvliegenpikker | Camptostoma obsoletum

Southern Beardless Tyrannulet | Mosquerito silbador

De geelkeelvliegenpikker is een van de kleinste tirannen van het gebied, een grijsolijf vogeltje dat zich eerder als een zanger of vireo gedraagt dan als een vliegenvanger. Het wordt meestal opgemerkt aan zijn hoge, fluitende roep, waarbij het de korte kuif opzet. De vogels van Trinidad en Tobago behoren tot de ondersoort pusillum, die ook langs de Caribische kust van Colombia en Venezuela leeft.

Geelkeelvliegenpikker (Camptostoma obsoletum)
Foto: Félix Uribe from Rionegro, Antioquia, Colombia — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De bekendste roep is een hoog, dun, licht stijgend en dalend gefloten fliieeer, soms gevolgd door korte tonen: fliieee-pit-pit. De zang is een reeks heldere fluittonen die in toonhoogte afdalen. De vogel roept de hele dag, ook in de middaghitte.

Luister: ZangXC1084213

Opname: JAYRSON ARAUJO DE OLIVEIRA — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

9,5–10,5 cm, klein en compact, met een korte, borstelige kuif die vaak rechtop staat, een korte staart die regelmatig wordt opgewipt en een kort, iets gebogen snaveltje met een lichte basis van de ondersnavel. Kruin en nek zijn grijsachtig, de bovendelen grijsolijf. Een lichte wenkbrauwstreep en een onderbroken lichte oogring markeren het gezicht. Twee brede, kaneelkleurige tot okerachtige vleugelstrepen vallen op. De keel is grijswit, de rest van de onderdelen lichtgeel. De seksen zijn gelijk; jonge vogels hebben bleker gele onderdelen en lichtere vleugelstrepen.

Verwarrings­soorten

De muisgrijze vliegenpikker Nesotriccus murinus is groter, langstaartiger en bruiner, met een vuilwitte buik, een langere snavel en vaalbruine vleugelstrepen. De noordelijke struikvliegenpikker Sublegatus arenarum is eveneens groter, heeft een korte, geheel zwarte snavel, een grijze borst die scherp afsteekt tegen de gele buik en geen opgezette kuif. Elenia's zijn duidelijk groter en hebben een andere stem.

Leefgebied

Open en halfopen terrein met bomen en struiken: droog struweel, bosranden, secundair bos, mangroveranden, erven, tuinen en parken met bomen. Het zoekt in het bladerdak en in struiken naar kleine insecten, spinnen en kleine bessen, die het van bladeren en twijgen pikt, soms kort fladderend. Het nest is een bolvormig bouwsel met een zijingang van plantenmateriaal en spinrag.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied standvogel op Trinidad en Tobago, op beide eilanden algemeen in het laagland. Daarbuiten van Costa Rica en Panama door een groot deel van Zuid-Amerika tot in het noorden van Argentinië en Uruguay.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Te vinden aan de roep in tuinen, langs bosranden en in droog struweel, zowel op Trinidad als op Tobago. Bij het roepen gaat de kuif omhoog en wipt de staart, wat de vogel in een gemengde groep kleine zangvogels verraadt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Een algemene soort die goed gedijt in door de mens veranderd landschap, zoals tuinen, erven en secundaire begroeiing.

Wetenschappelijke naam

Camptostoma obsoletum | (Temminck, 1824)

Temminck beschreef de soort in 1824 als Muscicapa obsoleta; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Camptostoma werd in 1857 ingevoerd door Sclater. Camptostoma is Grieks, van kamptos 'gebogen' en stoma 'mond', naar de gebogen snavelrug. obsoletum is Latijn voor 'onopvallend, sleets', naar het eenvoudige, vaalgroene verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Curitiba, Paraná, Brazilië.