Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Bonte muskaatduif

Bonte muskaatduif | Ducula bicolor

Pied Imperial Pigeon | Dúcula bicolor

De bonte muskaatduif is een grote, witte duif met zwarte slagpennen uit Zuidoost-Azië, waar hij leeft op kleine eilanden en langs kusten. In het Caribisch gebied is hij een exoot: op New Providence in de Bahama's is sinds het eind van de jaren 2000 een kleine, vrij vliegende populatie ontstaan. Hoe de vogels daar terecht zijn gekomen, is niet bekend; de soort wordt in de handel in kooivogels aangeboden.

Bonte muskaatduif (Ducula bicolor)
Foto: JJ Harrison (https://tiny.jjharrison.com.au/t/awbKQM2Ekae0XKza) — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een diep, galmend koeren, woe-oe-woeoeoe, waarbij de laatste toon lang aanhoudt en langzaam wegsterft. Vooral te horen vanaf een hoge zitplaats.

Luister: ZangXC654646

Opname: Kim Chuah Lim — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

38–41 cm, fors, met een kleine kop en een volle borst. Het verenkleed is grotendeels wit, vaak met een zweem van roomgeel. Hand- en armpennen zijn zwart en steken scherp af tegen de witte vleugeldekveren, zowel zittend als in de vlucht. Ook de staart is grotendeels zwart. De snavel is blauwgrijs met een donkere punt, de poten zijn blauwgrijs. De seksen zijn gelijk. Vliegt krachtig en recht, met regelmatige slagen, en zit graag hoog in palmen en grote bomen.

Verwarrings­soorten

Geen inheemse duif in het gebied is wit met zwarte slagpennen. Witte of bonte rotsduiven Columba livia zijn kleiner, met een kortere staart, en hebben zelden het scherpe zwart-witte patroon van de vleugel; ze foerageren op de grond in steden en havens, terwijl de muskaatduif in boomkruinen vruchten eet. Een ontsnapte witte tamme duif of lachduif kan op afstand verwarring geven.

Leefgebied

Op New Providence in woonwijken, tuinen en parken met vruchtdragende palmen en bomen, en in kustbos. In het oorspronkelijke verspreidingsgebied in kustbos, mangrove, plantages en struweel, vooral op kleine eilanden, met dagelijkse vluchten tussen slaapplaats en voedselgebied. Eet vruchten, onder meer van palmen, wilde vijgen en de nootmuskaatboom, waaraan de groep haar Nederlandse naam dankt. Over broeden op New Providence is weinig gepubliceerd.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen op New Providence in de Bahama's, vooral in het noordoosten van het eiland rond Nassau. De eerste waarneming dateert van 2007; vanaf 2011 werd de soort regelmatig gezien, en in 2017 werden groepen van meer dan tien vogels gemeld. Van andere eilanden zijn geen gevestigde populaties bekend. Van nature in Zuidoost-Azië, van Myanmar en Thailand over Indonesië tot de Filipijnen en het westen van Nieuw-Guinea.

  • Jaarrond
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In het noordoosten van New Providence, in tuinen en langs straten met vruchtdragende palmen. De witte vogels met zwarte vleugelranden zijn in de vlucht en hoog in een boom van ver te zien; de diepe roep wijst vaak de plek aan.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, maar in delen van het oorspronkelijke areaal achteruitgegaan door jacht en vangst voor de handel. In het Caribisch gebied een exoot met een kleine populatie; over de ontwikkeling ervan en over gevolgen voor de inheemse natuur is niets bekend.

Wetenschappelijke naam

Ducula bicolor | (Scopoli, 1786)

Scopoli beschreef de soort in 1786 als Columba bicolor; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ducula werd in 1836 ingevoerd door Hodgson. Ducula is waarschijnlijk een verlatijnsing van dukul, een Hindi/Nepalese naam voor keizerduiven; anderen leiden het af van Latijn dux, ducis 'leider'. bicolor is Latijn voor 'tweekleurig', naar het witte verenkleed met zwarte vleugelpennen en staart. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Nieuw-Guinea.