Alle soorten › Eendachtigen › Eenden en ganzen › Blauwvleugeltaling
Blauwvleugeltaling | Spatula discors
Blue-winged Teal | Cerceta aliazul
De blauwvleugeltaling is in het hele Caribisch gebied een algemene wintergast en doortrekker, vaak in groepen op zoete en brakke wateren. Al in augustus en september komen de eerste vogels uit Noord-Amerika aan, en een deel trekt door naar Zuid-Amerika. Op Cuba heet hij pato de la Florida.
Geluid
Het mannetje heeft een dun, hoog fluitend tsie-ie of piep, het vrouwtje een zacht, hoog kwaken. Groepen in de vlucht laten vaak deze fluittonen horen.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
38–41 cm, een kleine grondeleend met een vrij lange, donkere snavel. Het mannetje heeft een leigrijze tot blauwgrijze kop met een witte halvemaan voor het oog, een bruin lijf met zwarte stippen, een witte vlek voor de zwarte stuit en gelige poten. In de herfst lijkt het mannetje nog op het vrouwtje en krijgt het in de loop van de winter het prachtkleed. Het vrouwtje is gevlekt bruin, met een grijsbruine kop, een donkere oogstreep, een onderbroken lichte oogring en een lichte vlek aan de snavelbasis. In de vlucht een lichtblauwe voorvleugel, bij het mannetje begrensd door een witte band, en een groene spiegel.
Verwarringssoorten
Het vrouwtje kaneeltaling Spatula cyanoptera is warmer en egaler bruin, met een vlakkere kop en een langere, aan de punt iets bredere snavel; zeker te onderscheiden is ze vaak niet. De zomertaling Spatula querquedula, een dwaalgast, heeft bij het vrouwtje een sterker getekende kop met een donkere wangstreep en een witte keel. De wintertaling Anas crecca is kleiner, met een kortere snavel en zonder lichtblauwe voorvleugel. De slobeend Spatula clypeata heeft dezelfde blauwe voorvleugel, maar is groter en heeft een veel grotere, lepelvormige snavel.
Leefgebied
Zoetwatermoerassen, vijvers, ondiepe lagunes, zoutpannen, rijstvelden en ondergelopen weilanden, ook aan de rand van mangrove. Foerageert grondelend en filterend in ondiep water, op zaden, waterplanten en kleine ongewervelden. Rust in groepen op open water of op modderige oevers.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
In de winter en tijdens de trek op vrijwel alle eilanden: de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, Cuba, de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek), Puerto Rico en de Maagdeneilanden, de Kleine Antillen, de ABC-eilanden en Trinidad en Tobago. Broedt in Canada en het noorden en midden van de Verenigde Staten; overwintert van het zuiden van de Verenigde Staten via Mexico en Midden-Amerika tot in het noorden van Zuid-Amerika.
- Jaarrond
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de winter op vrijwel elke ondiepe vijver of lagune met wat begroeiing; in groepen blauwvleugeltalingen zijn ook zeldzamere talingen te vinden. Bij opvliegende vogels is de lichtblauwe voorvleugel het eerste dat opvalt.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (Least Concern). De soort wordt op verschillende Caribische eilanden bejaagd, en de wetlands waar de vogels overwinteren, krimpen door drooglegging en bebouwing.
Wetenschappelijke naam
Spatula discors | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Anas discors; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Spatula werd in 1822 ingevoerd door Boie. Spatula is Latijn voor 'lepel' of 'spatel', naar de brede, lepelvormige snavel van de slobeend. discors is Latijn voor 'onharmonisch, van elkaar verschillend', letterlijk 'niet van één hart'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Virginia of Carolina.




