Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Zwartkeellijster
Zwartkeellijster | Turdus atrogularis
Black-Throated Thrush | Zorzal papinegro
De zwartkeellijster is de westelijkste van de Siberische lijsters en de enige van de drie die vlak bij het gidsgebied overwintert: hij broedt in de Oeral en West-Siberië en trekt naar Mesopotamië, het Iraans Hoogland en verder oostwaarts tot in de Himalaya, alles net voorbij de oostrand van de kaart. Binnen het gidsgebied is hij een dwaalgast, vooral in Noordwest-Europa, en anders dan de meeste Siberische zwervers verdwijnt hij niet na twee dagen — een vogel die eenmaal een goede bessenstruik of een grasveld met wormen heeft gevonden, blijft er soms twee maanden zitten.
Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.
Geluid
Op trek en in het winterkwartier hoor je twee geluiden. Het eerste is een dun, gerekt en licht dalend sieh, dat aan een koperwiek doet denken maar zachter en voller klinkt; het tweede een hard, ratelend tsjak-tsjak-tsjak, als van een ingehouden kramsvogel, dat losbarst zodra een troep opvliegt. Een verstoorde vogel geeft een kort, droog tuk. De zang, in dit gebied vrijwel nooit te horen, is een eenvoudige reeks korte, wat weemoedige fluitmotieven van twee of drie tonen, elk gevolgd door een pauze en afgesloten met een droog gekwetter; in de Oeral klinkt hij van mei tot juli, meestal vanaf de top van een spar.
Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Een forse lijster, iets kleiner dan een kramsvogel maar slanker en langer gestaart. Alle bovendelen hebben één en dezelfde kleur: kruin, mantel, vleugels, stuit en staart zijn effen koel grijsbruin, zonder kastanjebruine mantel, zonder roestrood vleugelpaneel en zonder enig kleurverschil tussen rug en staart. Het mannetje draagt teugel, keel en bovenborst gitzwart, als een strak afgesneden bef tegen een zuiver witte buik; in verse winterveren zijn die zwarte veren licht gezoomd, zodat de bef geschubd oogt en pas tegen het voorjaar egaal wordt. Vrouwtjes en eerstejaars vogels hebben in plaats van de bef een witte keel met een donkere baardstreep en rijen zwarte vlekken die op de bovenborst tot een halsband samenvloeien, met daarboven een vage lichte wenkbrauwstreep. Flanken grijs en vrijwel ongetekend, buik en onderstaartdekveren wit, snavel geel met een donkere punt, poten donker. Eén warme kleur heeft de vogel wel: de ondervleugeldekveren zijn oranjeroestbruin, en die lichten bij het opvliegen op tegen een verder grauwe lijster.
Verwarringssoorten
De bruine lijster is de soort waar het om draait — zie ook de soortpagina van de bruine lijster. De beslissing valt op de vleugel: de bruine lijster heeft een breed roestrood paneel over de dekveren en de armpennen, roestrood op de stuit en roestrode zomen in de staart, terwijl bij de zwartkeellijster geen enkele veer op de bovendelen warm gekleurd is. De bruine lijster heeft bovendien een scherp getekende kop met een brede witte wenkbrauwstreep, een witte baardstreep en een donkere oorstreek, en over borst én flanken zwarte maantjes op wit in plaats van een gesloten bef of een simpele halsband. Wat hier juist níét helpt is de ondervleugel: die is bij beide roestbruin. Bij vrouwtjes en eerstejaars vogels ligt de valkuil op de loer, en dan blijft de vleugel de beslissing. De roodkeellijster Turdus ruficollis, die vroeger met de zwartkeellijster als één soort werd geteld en sinds omstreeks 2010 in de wereldlijsten apart wordt behandeld, heeft dezelfde grijze bovendelen maar een roodbruine keel en borst en roodbruine buitenste staartpennen; waar de twee elkaar raken komen tussenvormen voor die in het veld nauwelijks te benoemen zijn. Kramsvogel is forser, met grijze kop en stuit tegen een kastanjebruine mantel en een spierwitte ondervleugel; merel mist elke tekening. De grote gevlekte Aziatische lijsters, die in dezelfde weken kunnen opduiken, verraden zich altijd door de brede zwart-witte band over de ondervleugel — iets wat geen enkele Turdus-lijster heeft.
Leefgebied
Broedt in de taiga van de Oeral en West-Siberië: sparren-, dennen- en lariksbos met een dichte ondergroei, berkenbos en gemengd bos, en in de bergen tot in het kromme subalpiene berken- en wilgenstruweel boven de boomgrens. Langs de rivieren zoekt hij wilgen- en elzenstruweel op. Foerageert lopend op de bosbodem, tussen mos en strooisel. Het winterkwartier is veel opener: open bos en boomgroepen op berghellingen, boomgaarden, terrasakkers en struweel met duindoorn, jeneverbes en lijsterbes. De dwaalgasten in Europa belanden vrijwel altijd in bessendragende hagen, boomgaarden en dorpstuinen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van de Oeral oostwaarts tot de Jenisej en zuidwaarts tot in de Altai en de bergen van Centraal-Azië. De westgrens van het broedareaal ligt op de westhelling van de Noordelijke en Poolural, net buiten de oostrand van de kaart in deze gids. Overwintert buiten het gidsgebied, voorbij de oostrand van de kaart: in het uiterste zuidoosten van Anatolië, Mesopotamië en het Iraans Hoogland, langs de Perzische Golf en verder oostwaarts tot in het noorden van het Indiase subcontinent en de Himalaya. Binnen het gidsgebied is hij dwaalgast, met bijna jaarlijks vogels in Fennoscandinavië en op het eiland Groot-Brittannië en een enkele overwinteraar in de Levant.
Hoe en wanneer kijken
Deze soort zoek je zelden zelf; je gaat erheen. Reken erop dat de vogel weken blijft, ga bij het eerste licht, blijf op de stoep en laat de bewoners met rust. Kijk ter plaatse eerst naar de vleugel en pas daarna naar de keel — de effen grijsbruine vleugel zonder een spoor van roestrood is het kenmerk dat ook bij een vrouwtje standhoudt. Wie hem zelf wil vinden, werkt in de late herfst grote troepen kramsvogels en koperwieken af op zoek naar één vogel die grauwer is dan de rest en bij het opvliegen een roestbruine ondervleugel toont.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. Het broedareaal is uitgestrekt en de aantallen zijn groot; over de trends in de Siberische taiga is weinig bekend, simpelweg omdat er nauwelijks geteld wordt. Van belang voor de categorie is dat de Rode Lijst de zwartkeellijster inmiddels apart beoordeelt en niet meer onder de ruime Turdus ruficollis schaart: de soort heeft een eigen beoordeling, en die luidt niet bedreigd. Voor het gidsgebied is hij een dwaalgast: in het Iraans Hoogland en Mesopotamië overwintert hij regelmatig, maar die liggen buiten de oostrand van de kaart, en binnen het gidsgebied gaat het uitsluitend om losse vogels, de meeste in Noordwest-Europa. Het aantal gevallen loopt daar op, maar dat komt vermoedelijk vooral doordat er meer wordt gekeken en doordat de soort sinds omstreeks 2010 apart wordt geteld.
Wetenschappelijke naam
Turdus atrogularis | Jarocki, 1819
Jarocki beschreef de soort in 1819 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Turdus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Turdus is het gewone Latijnse woord voor 'lijster'. atrogularis is Latijn, van ater 'zwart' en gula 'keel', naar de zwarte keel en borst van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Polen.




