Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Zwarte tapuit

Zwarte tapuit | Oenanthe leucura

Black Wheatear | Collalba negra

De zwarte tapuit is de vogel van de rotswand: kloven, droge ramblas (brede, droge rivierbedding die alleen bij stortbuien water voert), kalkkliffen en zeekliffen rond de westelijke Middellandse Zee, waar het roetzwarte mannetje met zijn witte stuit vanaf een richel in de zon zit te zingen. Het is de grootste tapuit van het gebied en de enige die het hele jaar op zijn eigen rots blijft.

Zwarte tapuit (Oenanthe leucura)
Foto: Julien Renoult — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is luid en fluitend, bijna lijsterachtig: een korte strofe van heldere, weemoedige fluittonen met daartussen krassende noten, gezongen vanaf een richel of in een zangvlucht die voor de wand op en neer golft. Al vanaf januari te horen, ruim voor bijna alle andere vogels van het rotsterrein. De roep is een helder gefloten pie-pie en bij onraad een droog tsjak-tsjak; beide dragen ver in de echo van een kloof.

Luister: RoepXC1098144

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Grote, forse tapuit van 16 tot 18 centimeter, zwaar gebouwd en met een lange staart. Het mannetje is geheel roetzwart en glanst in de zon; het vrouwtje is donkerbruin en wat doffer, maar precies zo getekend. Stuit en staartbasis zijn wit, en op dat wit staat een zwarte omgekeerde T van een brede eindband en een middenstreep: in vlucht wordt het wit van de staart abrupt afgesneden door het zwarte uiteinde. Snavel en poten zijn zwart en stevig, de onderstaartdekveren wit. Jonge vogels zijn bruin en vaag geschubd, met hetzelfde staartpatroon.

Verwarrings­soorten

Op het Iberisch Schiereiland is verwarring uitgesloten, want geen andere tapuit is daar geheel zwart. Het probleem ligt in de Maghreb, waar ook de witkruintapuit voorkomt. De volwassen witkruintapuit heeft een zuiver witte kruin, maar jonge vogels en eerstejaars zijn even zwart als de zwarte tapuit, en dan beslist de staart: de witkruintapuit heeft een vrijwel geheel witte staart, met zwart dat beperkt blijft tot de punten van de middelste pennen en zonder doorlopende eindband, terwijl de zwarte tapuit altijd de brede eindband en de omgekeerde T laat zien. De witkruintapuit is bovendien slanker, langsnaviger en glanzender zwart. De zwarte roodstaart is veel kleiner en heeft een roestrode staart die bij elke landing trilt. De merel is groter, mist de witte stuit en heeft bij het mannetje een gele snavel.

Leefgebied

Kalkwanden en rotsplateaus, kloven en barranco's (steile, droge ravijn in vulkanisch of bergachtig terrein), ingesneden droge rivierbeddingen, badlands, steengroeves en zeekliffen, vrijwel altijd met laag mediterraan struikgewas — tijm, rozemarijn, garrigue (laag, open kalkstruweel met veel aromatische dwergstruiken) — aan de voet of op de richels, want daar zit het voedsel. Tot 2000 meter in de sierra's en tot op zeeniveau bij Cabo de Gata en de Garraf. Ook in ruïnes, verlaten cortijos (alleenstaand Andalusisch landbouwbedrijf) en taluds langs bergwegen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Beperkt tot het westelijke Middellandse Zeegebied: het Iberisch Schiereiland en Noordwest-Afrika, van de Atlantische kust van de Maghreb tot in Tripolitanië. In Iberië ligt het zwaartepunt in de mediterrane kuststrook en de bergen daarachter — Almería, Murcia, Alicante, Valencia, Catalonië — met een uitloper langs het Sistema Ibérico en verspreide plekken in Andalusië, het midden en het zuidwesten; langs de hele Cantabrische kust ontbreekt hij. In het westen van het schiereiland houdt hij het Douro-dal en het binnenland van de Alentejo bezet. Ten noorden van de Pyreneeën is hij als broedvogel verdwenen; de laatste territoria lagen in de Roussillon. Rond het jaar 2000 werd de Europese populatie op enkele duizenden tot ruim tienduizend paren geschat, vrijwel geheel in Iberië.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Een ochtend in februari of maart in een rotskloof in het zuiden of oosten van Iberië — El Torcal, Cabo de Gata, de Sierra de Grazalema, de Garraf — en luister eerst, kijk daarna: het fluitende liedje kaatst tegen de wand. Zoek vervolgens de steenhoop. Het mannetje sleept kiezels aan, tot 23 gram per stuk, bijna tweederde van zijn eigen gewicht, en stapelt ze op de richel bij de nestspleet; op een plek die jaren achtereen wordt gebruikt liggen er honderden tot duizenden. Vrouwtjes leggen meer eieren bij mannetjes die meer stenen aandragen, dus die hoop is een advertentie en geen versiering.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in Iberië plaatselijk stabiel tot licht toenemend, maar ten noorden van de Pyreneeën verdwenen en aan de noordelijke en binnenlandse rand van het areaal teruggelopen. Wat de soort schaadt is het verlies van rotswand met struikgewas aan de voet: actieve steengroeves, bebouwing van de kust, klimroutes en via ferrata's (beklimbare klimroute met vaste kabels en ijzers) in broedwanden, en het verdwijnen van het mozaïek van lage struiken en kale grond waar hij jaagt, hetzij door dichtgroeien, hetzij door omploegen. Waar de wand met rust wordt gelaten en er rozemarijn aan de voet staat, houdt hij goed stand.

Wetenschappelijke naam

Oenanthe leucura | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Turdus leucurus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Oenanthe werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Oenanthe gebruikte Aristoteles voor een vogel die niet meer thuis te brengen is; het woord komt van het Griekse oinos, oinoē 'wijn, wijnstok' en anthos 'bloem, bloei'. leucura gaat terug op het Griekse leukouros 'witstaartig', van leukos 'wit' en oura 'staart', naar de witte staart onder het verder zwarte kleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Gibraltar.