Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Zwarte stern

Zwarte stern | Chlidonias niger

Black Tern | Fumarel común

De zwarte stern jaagt met dansende, wippende vlucht boven laagveenmoerassen en plassen en pikt insecten van het wateroppervlak. In augustus verzamelen honderden zich boven het IJsselmeer om er te ruien en te rusten.

Zwarte stern (Chlidonias niger)
Hoofdfoto · Foto: TRinaud — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Vrij zwijgzaam buiten de kolonie. De roep is een kort, scherp en enigszins nasaal kik of kjèk, dikwijls in korte reeksen tijdens achtervolgingen. Bij verstoring van de kolonie een aanhoudend, klagend kriejèh. Vooral te horen van mei tot begin juli boven broedplaatsen en soms van nachtelijke trekkers in augustus.

Luister: Scherpe alarmroep bij de kolonieXC428426

Opname: Jonathon Jongsma — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

In broedkleed roetzwarte kop en onderdelen, leigrijze vleugels, rug en staart, en opvallend witte onderstaartdekveren die als een wit spatje achter het zwarte lichaam zitten. Snavel zwart, poten donkerrood. In winterkleed wit onder met een zwarte halve kap die tot achter het oog doorloopt en, beslissend, een donkere vlek op de borstzijde voor de vleugelbocht. Juveniel met bruingrijs, weinig contrasterend zadel.

Verwarrings­soorten

Witvleugelstern in najaarskleed is de klassieke valkuil: die mist de donkere schoudervlek, heeft een witte in plaats van grijze stuit en een kleinere, geïsoleerde oorvlek. Witwangstern is groter, zwaarder gesnaveld en effener wit op het lichaam. Ver weg kan een jagende dwergmeeuw eenzelfde fladderende indruk maken, maar die heeft ronde vleugeltoppen en een lichter voorkomen.

Leefgebied

Voedselrijke laagveenmoerassen, petgaten, oude rivierarmen en ondiepe plassen met drijvende vegetatie, vooral krabbenscheer. Buiten de broedtijd op grote zoete en brakke wateren en langs de kust. Foerageert vliegend, waarbij hij insecten, kleine visjes en kikkervisjes van het wateroppervlak of uit de lucht grijpt zonder onder te duiken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt van Iberië en West-Europa tot ver in Oost-Europa. Rond de zuidelijke Noordzee herbergen de laagveengebieden van Noordwest-Overijssel, Friesland en de Gelderse Poort een belangrijke West-Europese populatie, grotendeels op kunstmatige nestvlotjes. In Iberië broedt hij schaars, vooral in de marismas van de Guadalquivir, maar trekt hij talrijk door langs de Ebrodelta en de Andalusische lagunes.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Ga in mei of juni naar een krabbenscheerplas in de vroege ochtend en let op de nestvlotjes. Voor aantallen kun je beter in augustus naar de IJsselmeerkust of het Markermeer gaan, waar in de late namiddag grote groepen boven het water foerageren en op strekdammen en boeien verzamelen, wat goede kansen geeft om ruiende adulten van dichtbij te bestuderen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). In West-Europa in de twintigste eeuw sterk afgenomen door ontwatering, eutrofiëring en het verdwijnen van krabbenscheer; rond de zuidelijke Noordzee stabiliseert de stand dankzij nestvlotjes en herstel van waterkwaliteit. Verstoring van kolonies, golfslag en een tekort aan insecten in het broedseizoen blijven knelpunten, evenals droogte in de Afrikaanse overwinteringsgebieden.

Wetenschappelijke naam

Chlidonias niger | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Sterna nigra; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Chlidonias werd in 1822 ingevoerd door Rafinesque. Chlidonias komt van het Griekse khelidonios 'zwaluwachtig', van khelidon 'zwaluw'. niger is Latijn voor 'glanzend zwart'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bij Uppsala in Zweden.