Alle soorten › Steltloperachtigen › Alken › Zeekoet

Zeekoet | Uria aalge

Common Murre | Arao común

De zeekoet is de talrijkste alk van de Noordzee en de vogel die je bij een winterse zeetrektelling het vaakst voorbij ziet komen. Op broedkliffen staat hij schouder aan schouder op open richels, zonder nest, met één peervormig ei op de kale steen.

Zeekoet (Uria aalge)
Hoofdfoto · Foto: Hobbyfotowiki — CC0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Kleedvormen

Zeekoet, geringde vorm, met witte oogring
Geringde vorm, met witte oogring · Foto: Andreas Trepte — CC BY-SA 2.5 · Wikimedia Commons

Geluid

In de kolonie een aanhoudend, grommend en golvend aarrrr-aarrr van honderden vogels tegelijk, dat als een lage brandingruis over de klif ligt en tot ver op zee hoorbaar is. Vanaf half juni klinkt op het water het dunne, klagende wieuw-wieuw van jongen die nog niet kunnen vliegen en door hun vader worden begeleid. Buiten de kolonie is de soort verder zwijgzaam.

Luister: Gegrom in de kolonieWikimedia Commons

Opname: British Library — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Slanker en langgerekter dan de alk, met een rechte, dolkvormige snavel en een fijne witte streep langs de mondrand. Bovendelen donker chocoladebruin, in fel licht duidelijk warmer dan het gitzwart van de alk; flanken met bruine streepjes. In winterkleed worden gezicht en keel wit, met één beslissend kenmerk: een donkere streep die vanaf het oog dwars door de witte wang naar achteren loopt. Noordelijke vogels tonen soms de geringde vorm, met een witte oogring en een witte lijn naar achteren. In vlucht steken de poten voorbij de korte staart uit, de arm heeft een witte achterrand en de ondervleugel is wit.

Verwarrings­soorten

Alk is zwarter, heeft een hoge stompe snavel met witte dwarsstreep, een langere spitse staart en mist in winterkleed de wangstreep. Papegaaiduiker is korter en boller met een donkere ondervleugel. Kleine alk is veel kleiner en compacter. De zeldzame kortbekzeekoet is zwaarder gebouwd, zwarter op de rug, heeft een kortere snavel met een lichte streep langs de basis en mist de donkere wangstreep in winterkleed.

Leefgebied

Broedt in dichte kolonies op open richels van steile zeekliffen en op rotseilanden; in de Noordzee zijn Helgoland en de kliffen van de Britse Eilanden en Scandinavië de bekendste plekken. De rest van het jaar leeft hij op zee boven ondiepe banken, waar hij tot tientallen meters diep duikt op zandspiering, sprot en jonge haring. In de zuidelijke Noordzee is de Bruine Bank een belangrijk overwinteringsgebied.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedvogel van IJsland, de Faeröer, Scandinavië, de Britse Eilanden, Bretagne, de Oostzee en Helgoland. Langs de zuidelijke Noordzeekust zijn geen kolonies, maar op zee overwinteren grote aantallen vogels, met concentraties op de Bruine Bank; ze verschijnen bij zeetrektellingen en in olieslachtoffertellingen. In Iberië is de soort als broedvogel vrijwel of geheel verdwenen: in Portugal is sinds 2002 geen broedgeval meer vastgesteld en ook de laatste Galicische paren lijken weg. Hij resteert vooral als wintergast langs de Cantabrische kust.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zeetrek langs de Hollandse kust bij noordwestenwind tussen oktober en maart geeft de meeste vogels, maar voor rustige studie kun je beter in februari of maart naar de Lummenfelsen van Helgoland gaan, waar de vogels op een paar meter afstand op de richels zitten. Wie op zee vaart: scan met de telescoop op drijvende groepjes en let op winterkleed en wangstreep. Let in juli en augustus ook op gedrag: een oude vogel met een nog niet vliegvlug jong zwemt dan ver uit de kust dicht bij elkaar.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in Europa nog steeds talrijk, met stabiele tot groeiende aantallen op Helgoland en in de Oostzee. De grootste risico's zijn olievervuiling en bijvangst in staandwantnetten, plus voedseltekort in jaren met weinig zandspiering. In 2022 richtte vogelgriep in verschillende Noordzeekolonies schade aan, en na zware stormen spoelen soms in korte tijd honderden verzwakte vogels aan.

Wetenschappelijke naam

Uria aalge | (Pontoppidan, 1763)

Pontoppidan beschreef de soort in 1763 als Colymbus aalge; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Uria werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Uria gaat terug op het Oudgriekse ouria, een watervogel die bij Athenaeus wordt genoemd. aalge is een oud Deens woord voor een alk. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit IJsland.