Alle soorten › Zangvogels › Leeuweriken › Witbandleeuwerik
Witbandleeuwerik | Alaemon alaudipes
Greater Hoopoe-Lark | Alondra ibis
De grootste leeuwerik van de gids, en de enige die op het eerste gezicht op een steltloper lijkt: hoog op de poten, met een lange gebogen snavel en een zwart-witte vleugeltekening die pas in de vlucht te zien is. Op de kale woestijnbodem loopt en rent hij liever dan dat hij vliegt. De zang komt uit een klimvlucht die eindigt in een vrije val.
Geluid
De zangvlucht is kenmerkend. Vanaf de grond of een lage struik klimt de vogel op trillende vleugels bijna loodrecht omhoog, terwijl hij een reeks zuivere, klaaglijke fluittonen laat horen die opklimmen en sneller worden; boven in de klim stokt hij, vouwt de vleugels half dicht en laat zich buitelend en tuimelend terugvallen naar de grond, waar hij de reeks vaak nog afmaakt. De losse roep is een hoog, gerekt, weemoedig fluitje dat over een lege vlakte ver draagt. Hij zingt van hartje winter tot in het late voorjaar, het felst in het eerste en het laatste uur licht, en op heldere nachten ook bij maanlicht.
Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Grote, slanke, bleke leeuwerik van 19 tot 22 cm, met lange lichte poten, een lange hals en een lange, gelijkmatig omlaag gebogen donkere snavel. Bovendelen effen zandkleurig tot grijsbruin, onderdelen wit met een band van scherpe zwarte vlekken over de bovenborst en op de flanken. De kop is licht met een donkere oogstreep en een donkere baardstreep die het witte oor omlijsten. Het beslissende beeld komt pas in vlucht: over de zwarte hand- en armpennen ligt een brede witte band, zodat de vleugel van boven en van onder zwart-wit gebandeerd oogt. De staart is donker met lichte hoeken. Mannetjes zijn groter en langsnaveliger dan vrouwtjes, verder zien ze er hetzelfde uit. Hij loopt en rent met grote passen, blijft dan roerloos staan, prikt en graaft met de snavel in het zand en klimt af en toe op een lage struik.
Verwarringssoorten
De meeste vergissingen worden in vlucht gemaakt. De hop heeft precies zo'n zwart-wit vleugelpatroon en een gebogen snavel, maar heeft een oranjebruin lijf, een uitklapbare kuif en een fladderende, vlinderachtige vlucht, en gaat op muren, palen en bomen zitten. De renvogel loopt op dezelfde kale grond, is even bleek en even langpotig, maar mist de gebogen snavel, heeft een zwart-witte streep achter het oog en een blauwgrijze nek, en toont in vlucht juist een geheel zwarte ondervleugel. Duponts leeuwerik heeft ook een lange gebogen snavel, maar is veel kleiner en donker gestreept, houdt zich schuil in lage steppestruikjes op hoger gelegen vlaktes en laat nooit wit in de vleugel zien. De kleine, gedrongen woestijnleeuweriken van het geslacht Ammomanes — de woestijnleeuwerik en de rosse woestijnleeuwerik — zijn hooguit half zo groot, effen zandkleurig, kortpotig en kortsnavelig.
Leefgebied
Vlakke zand- en grindwoestijn met wijd verspreide lage struiken: uitgestrekte reg (vlakke grindwoestijn met een pantser van keien) en kale hamada (kale, met grind bedekte rotswoestijn), brede wadibeddingen, de randen van duingebieden, de oevers van zoutpannen en de zandvlaktes langs de Atlantische kust. Hij heeft twee dingen tegelijk nodig: veel open, harde grond om over te rennen en te graven, en hier en daar een struik om vanaf te zingen en schaduw in te zoeken. In gesloten begroeiing ontbreekt hij, en in een duinzee zonder één plant ook.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van de Kaapverdische eilanden en de Atlantische kust van Noordwest-Afrika oostwaarts door de hele Sahara, van de Maghreb tot in Noordoost-Afrika, en verder over de Sinaï naar de zuidelijke Levant en Arabië, en buiten het gidsgebied tot in het noordwesten van het Indiase subcontinent. Binnen het gidsgebied is hij talrijk in het zuidwesten van de Maghreb en de Westelijke Sahara, plaatselijk verder oostwaarts in de Maghreb, en in de zuidelijke Levant beperkt tot de Arava, de Negev en de omgeving van de Dode Zee. Op het Iberisch Schiereiland en de Canarische Eilanden broedt hij niet. Het is een strikte standvogel: hij blijft het hele jaar in hetzelfde stuk woestijn en zwerft hooguit een paar kilometer.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Rijd vroeg, rijd langzaam en kijk naar de grond. Op een woestijnpiste zie je hem meestal eerst als een lichte vogel die op lange poten voor je uit wegdraaft; pas als je te dichtbij komt gaat hij op en klapt dat zwart-witte vleugelpatroon open. In januari tot maart is het loonender om stil te gaan staan en te luisteren: het opklimmende fluitje van een zingend mannetje verraadt hem over honderden meters, en de tuimelende val eronder is niet te missen. Goede plekken zijn de vlaktes rond Merzouga, Boumalne en Dakhla, en de Arava tussen Eilat en de Dode Zee.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC): het areaal loopt van de Atlantische kust tot India en de vogel is overal aanwezig, zij het altijd in lage dichtheden. Plaatselijk gaat het minder goed. Waar woestijnrand onder irrigatie wordt gebracht verdwijnt hij, en waar de struikjes in wadi's (droog rivierdal dat alleen na regen water voert) worden weggegraasd of als brandhout verdwijnen blijft de zangpost weg. Ook de sterke groei van het terreinrijden over duinen en vlaktes drukt op de broedsels, want het nest is een kuiltje op de grond en de jongen lopen al voor ze kunnen vliegen. Geen van die drukfactoren speelt over het hele areaal tegelijk, en daarom staat de soort ruim in de veilige categorie.
Wetenschappelijke naam
Alaemon alaudipes | (Desfontaines, 1789)
Desfontaines beschreef de soort in 1789 als Upupa alaudipes; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Alaemon werd in 1840 ingevoerd door Keyserling & Blasius. Alaemon is Grieks, van alēmōn 'zwerver', bij alaomai 'dwalen'. alaudipes is Latijn, van alauda 'leeuwerik' en pes 'voet': met de poten van een leeuwerik. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit tussen Gafsa en Tozeur in Tunesië.



