Alle soorten › Zangvogels › Leeuweriken › Veldleeuwerik
Veldleeuwerik | Alauda arvensis
Eurasian Skylark | Alondra común
De zangvogel van het open veld, die minutenlang biddend zingt tot hij nog maar een stip is. Zijn zang was vroeger op vrijwel elk boerenland te horen.
Geluid
Een onafgebroken, snelle stroom van tsjilpende, rollende en fluitende motieven, minutenlang volgehouden tijdens de biddende zangvlucht en vaak met imitaties. Zingt van februari tot juli, hoog in de lucht en soms al voor zonsopgang. De vluchtroep is een droog, rollend tsjrrup, ook op winterse trekdagen hoorbaar.
Opname: Marie-Lan Taÿ Pamart — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Stevige, grondkleurige leeuwerik met een korte, oprichtbare kuif, een vrij lange staart met witte buitenste staartpennen en een smalle witte achterrand aan de vleugel. Bruin gestreept van boven, romig met fijne strepen op de borst en een ongestreepte buik. Loopt laag en snel over de grond; vliegt met onregelmatige, aarzelende slagen en korte glijmomenten.
Verwarringssoorten
Boomleeuwerik is korter gestaart, met een opvallende witte wenkbrauwstreep die in de nek samenkomt, een zwart-wit vlekje op de vleugelbocht en géén wit in de staart; hij zingt melodieus dalend, vaak in cirkels. Graspieper is veel slanker, dunsnaviger en zonder kuif, en roept bij opvliegen een scherp, dun ist-ist.
Leefgebied
Grootschalig open land zonder opgaande begroeiing: graanakkers, kruidenrijk grasland, kwelders, duinvalleien, braakland en steppe. Vraagt lage open vegetatie waarin hij kan lopen en tegelijk genoeg dekking om het nestkuiltje op de grond te verbergen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Heel Europa; in het noorden en oosten trekvogel, in West-Europa deels standvogel. Aan de zuidelijke Noordzeekust nog wijdverbreid maar sterk uitgedund, met de beste dichtheden op de Waddeneilanden, kwelders en akkerreservaten. In Iberië broedvogel van het noorden en de hoogvlaktes, en in de winter massaal aanwezig op de graanvlaktes.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Ga in maart of april bij zonnig, windstil weer vroeg het open land in en zoek de zang eerst met je oren, dan met de kijker recht boven je. In de winter loop je akkerranden en stoppels af tot groepen opvliegen; let dan op het rollende geluid en de witte staartrand.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). Een van de sterkst afgenomen broedvogels van het Europese boerenland, door de omschakeling van zomer- naar wintergraan, vroeg en frequent maaien, monotone raaigrasakkers en het verdwijnen van braak en stoppelvelden. Maatregelen voor herstel zijn kruidenrijke akkerranden, later maaien en open plekken in het gewas.
Wetenschappelijke naam
Alauda arvensis | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Alauda voerde hij in datzelfde werk in. Alauda is het Latijnse woord voor 'leeuwerik'; volgens Plinius gaat het terug op een Keltisch woord. arvensis is Latijn voor 'van de akker', bij arvum 'bouwland', naar het open boerenland waar de vogel broedt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Uppsala in Zweden.




