Alle soorten › Zangvogels › Rietzangers › Struikrietzanger
Struikrietzanger | Acrocephalus dumetorum
Blyth's Reed Warbler | Carricero de Blyth
Ondanks zijn naam geen rietvogel: hij zingt vanuit een brandnetelveld, een wilgenstruweel of een verwilderde dorpstuin in het oosten van Fennoscandinavië en de Baltische streek. De zang is het beste kenmerk: een trage, bedaarde stroom imitaties waarin elk motief een paar keer wordt herhaald, meestal in de nacht. De soort schuift al decennia westwaarts op.
Geluid
Traag, bedaard en volstrekt kenmerkend. De vogel zingt korte motieven — een heldere fluittoon, een nasaal tsjek-tsjek, een imitatie van boerenzwaluw, wielewaal, mus, of van een soort uit het winterkwartier op het Indisch subcontinent — en herhaalt elk motief twee tot vier keer voordat hij aan het volgende begint, met steeds een korte pauze ertussen. Anders dan bij de bosrietzanger zijn de herhalingen bij de struikrietzanger goed te tellen; dat regelmatige, trage ritme is een kenmerk van de soort. Hij zingt vooral in de nacht en de vroege ochtend, van eind mei tot in juli, meestal half verscholen op halve hoogte in een struik. Roep: een hard, droog tsjek en een kort ratelend tsjrrr.
Opname: Pascal Christe — CC BY-SA 4.0 · xeno-canto
Herkenning
Van boven koel grijzig olijfbruin zonder enige warme tint en zonder streping, met een stuit die niet van de mantel afsteekt — het beeld is egaal en flets. De snavel is lang, dun en spits, met een oranje tot bleek vleeskleurige ondersnavel die vaak een donker puntje heeft; het voorhoofd loopt vlak weg, zodat kop en snavel samen een langgerekte, wat spitse indruk maken. De lichte wenkbrauwstreep is het duidelijkst tússen snavel en oog en houdt vlak achter het oog op; er is een smalle lichte oogring. Onderdelen vuilwit, hooguit met een vage vuilgele waas op de flanken, veel kouder dan bij de bosrietzanger. Beslissend is de vleugel: de handpenprojectie is kort, ongeveer de helft van het zichtbare deel van de armpennen, met zes dicht opeen staande handpentoppen. De poten zijn donker grijsbruin, tot in de tenen. In rust oogt de vogel lang en smal, met een kleine kop en een lange staart die hij bij het klimmen omhoog houdt.
Verwarringssoorten
De bosrietzanger is de soort waar alles om draait — zie ook de soortpagina van de bosrietzanger. De bosrietzanger is warmer en groener met een gele waas over borst en flanken, heeft een lange handpenprojectie met zeven of acht ver uit elkaar staande handpentoppen, bleke vleeskleurige poten, een steil voorhoofd en een kortere, breed aangezette snavel. De struikrietzanger is kouder en grijzer, kortvleugeliger, langer en dunner van snavel, donkerder van poot en heeft een duidelijker wenkbrauwstreep vóór het oog. Ook de zang scheidt ze feilloos: de bosrietzanger stort zijn imitaties er in één haastige, versnellende stroom uit, de struikrietzanger neemt de tijd en herhaalt elk motief twee tot vier keer met een korte pauze ertussen. De kleine karekiet heeft een warme roestbruine stuit die tegen de mantel afsteekt en een korte, vage wenkbrauwstreep, en zit in riet boven water. De veldrietzanger is kleiner en warmer, met een korte snavel, een lange wenkbrauwstreep met donkere bovenrand en bleke poten.
Leefgebied
Vochtig struweel en hoge ruigte op het land, niet in riet boven water: wilgen- en elzenstruweel langs beken en meeroevers, bosranden en kapvlakten met brandnetel, moerasspirea en fluitenkruid, verruigde houtwallen, jonge berkenopslag, en in het oosten van Fennoscandinavië en de Baltische streek opvallend vaak verwilderde dorpstuinen, parkranden en seringen- en jasmijnstruiken bij huizen. Wat hij nodig heeft is een dichte kruidlaag met daarboven losse struiken en jonge bomen als zangpost. Het nest hangt laag in de kruidlaag of in een struik, doorgaans onder een meter hoogte.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van het oosten van Fennoscandinavië en de Baltische streek oostwaarts door Oost-Europa tot in Centraal-Siberië, met uitlopers in de bergen van Centraal-Azië. Het oosten van Fennoscandinavië en de Baltische streek zijn in enkele decennia van vrijwel leeg naar tienduizenden zangposten gegaan; ook het oosten van Scandinavië en het noorden van Midden-Europa worden geleidelijk bezet. Alle vogels trekken naar het zuidoosten en overwinteren op het Indisch subcontinent, wat verklaart waarom ze pas eind mei arriveren en al in augustus weer weg zijn. Langs de zuidelijke Noordzeekust is het een zeldzame maar jaarlijkse gast: zingende mannetjes in juni op de Waddeneilanden en in het binnenland, en najaarsvogels op de ringplekken langs de kust.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De eerste helft van juni, tussen elf uur 's avonds en zonsopgang, aan weerszijden van de Finse Golf. Loop een dorpsrand of een verruigde bosrand af en luister naar een zanger die elk zinnetje netjes herhaalt: dat is hij, en de zang is betrouwbaarder dan het beeld. Zie je de vogel, ga dan meteen naar de vleugel en de poten: korte handpenprojectie met zes dicht opeen staande toppen, en donkere poten. Wie buiten het broedgebied een kandidaat hoort, doet er goed aan een geluidsopname te maken voordat hij de verrekijker pakt — dat is bij deze soort het bewijsstuk.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) en een van de weinige zangvogels die het over de hele linie beter doet: het areaal schuift al tientallen jaren naar het westen en naar het noorden op, en in het oosten van Fennoscandinavië en de Baltische streek is de soort van een zeldzaamheid tot een gewone broedvogel geworden. Verwildering werkt in zijn voordeel — verlaten boerenerven, dichtgroeiende dorpstuinen, ruige beekdalen en jonge opslag op kapvlakten leveren precies het biotoop dat hij zoekt. De knelpunten zijn dan ook klein en plaatselijk: het opruimen van struweel en ruigte, het klepelen van slootkanten in juni wanneer de nesten er nog hangen, en het verlies van struikgewas in de winterkwartieren in Zuid-Azië.
Wetenschappelijke naam
Acrocephalus dumetorum | Blyth, 1849
Blyth beschreef de soort in 1849 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Acrocephalus werd in 1811 ingevoerd door Naumann & Naumann. Acrocephalus is Grieks, van akros 'hoogste, spits' en kephalē 'kop'; de Naumanns, die het geslacht invoerden, noemden deze vogels Spitzkopf en vatten akros dus op als 'spits'. dumetorum is Latijn voor 'van de struiken', de tweede naamval meervoud van dumetum 'struikgewas'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit India.




